Defensieplanning

`Zet niet alles in op oorlog voeren' luidt de kop van het artikel van landmacht-generaal b.d. J. Schaberg in NRC Handelsblad van 26 april, waarin hij bepleit dat Nederland meer prioriteit geeft aan middelen voor het deelnemen aan veiligheidsoperaties na de eigenlijke oorlog (follow-on-operaties), dan aan middelen die ,,alleen voor oorlog voeren'' geschikt zijn.

Waar het bij hem op neerkomt is: meer prioriteit voor landmachttroepen ten koste van marineschepen. Hij adstrueert dit aan de hand van de huidige aanwezigheid van een landmachtbataljon in Irak, daarbij overigens onvermeld latend dat hieraan twee mariniersbataljons zijn voorafgegaan. Bij zijn argumentatie heeft generaal Schaberg kritiek op de regering en haar adviesorgaan, de Adviesraad Internationale Vraagstukken die in recente nota's gelijk gewicht resp. prioriteit, geven aan deelname aan operaties in het hogere deel van het geweldsspectrum (initial-entry-operaties).

De meeste kritiek heeft hij op de recente studie van het Instituut Clingendael, waarvan de conclusie zou zijn dat Nederland ,,voor taken langs de evenaar'' moet beschikken over snelle langeafstand-patrouilleschepen met helikoptercapaciteit, en ,,fregatten met kruisvluchtwapens voor taken elders''. Afgezien van de demagogische terminologie zoals `kruisvluchtwapens' i.p.v. tactische zee-tegen-landdoelraketten is zijn weergave van de aanbevelingen van het Clingendael-rapport apert onjuist.

Dat is niet zo verwonderlijk, omdat in dit rapport wordt aanbevolen een aantal geavanceerde fregatten te vervangen door de aanschaf van relatief eenvoudig uitgeruste patrouilleschepen voor rechtshandhaving en humanitaire operaties in het lagere deel van het geweldsspectrum. Dit past echter niet in de argumentatie van generaal Schaberg, die de marine immers weg wil zetten als alleen geschikt voor oorlog voeren.

Daarnaast: in het Nederlandse defensiebudget wordt meer prioriteit gegeven aan de landmacht t.o.v. marine en luchtmacht, als nasleep van de Koude Oorlog. In die tijd gold de 1-2-1 verhouding: de helft van de begroting voor de landstrijdkrachten en een kwart voor beide andere krijgsmachtdelen. Hoewel deze verdeling formeel is losgelaten, krijgt de landmacht nu nog ruim anderhalf keer zoveel als marine en luchtmacht.

Het is jammer dat deze landmachtpublicist niet meegaat met de tijd, die gericht is op het gezamenlijk optreden van onze krijgsmachtdelen onderling en met bondgenoten. Zo voorziet bijvoorbeeld het Clingendael-plan ook in vaartuigen waarvanaf luchtmachthelikopters en landmacht- en marinierseenheden kunnen worden ingezet.

Gelukkig lijkt bij actief dienende landmachtofficieren een andere mentaliteit te leven, getuige het optreden van de huidige commandant van `ons' bataljon in Irak. Voor de televisie sprak hij zijn vertrouwen uit in het welslagen van zijn missie, mede op basis van de verrichtingen van zijn voorgangers, de mariniers. Dat had ook omgekeerd kunnen zijn, want zo hoort het en zo gaat het, gelukkig, tegenwoordig.