Wat je schrijft ben je zelf

In Den Haag leren kinderen Nederlands door samen een verhaal te verzinnen of een filmpje te maken rond thema's als `fantasiedieren' of `onbewoond eiland'.

Denkend aan Den Haag zie ik banken met mensen en een zebraklok, bomen die zwaaien als de wind door de bladeren gaat; het licht van de lantaarns dat in het water straalt

Deze variatie op Marsman's `Herinnering aan Holland' schreven de kinderen van groep 5 van de De la Reyschool in Den Haag. Ieder kind bedacht een zin. Bij die zin maakten ze een tekening, waarna er een boek van werd gemaakt. En als klap op de vuurpijl droeg ieder kind zijn eigen zin voor op film. Dat is, in een notendop, het Verhalen-Atelier, waarvoor de school onlangs de Taalunie Onderwijsprijs 2004 ontving, voor innovatief en doeltreffend onderwijs in het Nederlands.

Het Verhalen-Atelier is het initiatief van Bert Kouwenaar, leerkracht en parttime werkzaam bij de SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling). ``Het begon allemaal met een gewone opdracht voor de taalles'', zegt hij. ``De leerlingen moesten een verhaal afmaken over muis Bernard die de juf redt en daarbij allerlei avonturen beleeft. Ze schreven ieder een stukje van het verhaal en maakten daarbij een tekening op de computer. Dat werd zo mooi dat we allesbundelden.''

Na de proef vorig jaar met groep 5 is het project nu uitgebreid naar groepen 4 tot en met 8. Want Kouwenaar en zijn collega's zijn erg enthousiast. `Dankzij het Verhalen-Atelier liggen de leerresultaten boven het landelijk gemiddelde', staat er in het promo-verhaaltje over het project op de website van de Nederlandse Taalunie. ``Dat van die resultaten klopt, maar daaraan dragen meer dingen bij dan alleen het Verhalen-Atelier'', relativeert Kouwenaar. ``Wat ik wel zie, is dat de taal zich verinnerlijkt. Natuurlijk is taal al iets van jezelf, maar door deze werkwijze maken de kinderen zich een beeldender taalgebruik eigen. Met de tekeningen en de filmpjes die ze maken, verbeelden ze heel letterlijk de taal die ze zelf hebben geschapen. Dat proces maakt ze ontvankelijker voor taal.''

Het verbeelden van de taal is deze ochtend letterlijk te zien in de opnamestudio van het Verhalen-Atelier (want dat is behalve een leermethode ook een plek op school). Groep 8 maakt een filmpje waarin het wereldoriëntatie-onderwerp `biotopen' is verwerkt in een spannend verhaal: meester Wim valt in de klas in slaap en droomt dat hij in een boek over de natuur is terechtgekomen, waarin hij rondgeleid wordt door zijn leerlingen. Die hebben alles zelf gemaakt: de tekst, de acteurs (stokpoppetjes van zichzelf) en de decors.

Onder toeziend oog van regisseur Hakan (11) bedienen Reshad (13) en Kevin (12) de stokpoppetjes, terwijl de anderen de dialoog verzorgen. Als Chandenie (12) aan de beurt is vertelt ze aan meester Wim dat ze in het regenwoud al een Oleanderpijlstaartvlinder heeft gezien en een Franjeaap en waaraan ze de dieren heeft herkend. Chandenie zit nog maar een paar jaar op de De la Reijschool en hoewel ze het op haar oude school ook naar haar zin had, vindt ze het hier toch nét even iets leuker. ``Op mijn oude school kreeg je meer opdrachten van de meester. Hier ben je vrijer, mag je meer zelf doen.'' En die Oleanderpijlstaartvlinder vergeet ze nu nooit meer.

Voor leerkrachten heeft het Verhalen-atelier een onverwachte meerwaarde, vertelt Kouwenaar: ``Omdat kinderen hier veel van zichzelf laten zien, hun gevoelens, hun dromen, hun angsten, merk ik dat de interesse voor de individuele kinderen nog verder wordt aangewakkerd. Wat ze schrijven blijft heel dicht bij ze, dus je kunt daar een lijn in zien. Dat biedt inzicht in het kind.''

Bladerend door boeken van groep 5 laat Kouwenaar zien wat hij bedoelt. ``Kijk, dit is een project over leven op een onbewoond eiland, getiteld `Eens op een dag'. Ieder kind heeft informatie gezocht over een onderwerp dat hem of haar interesseerde en dat in een verhaaltje verwerkt.'' Daarbij kiest Ennis voor het avontuur – `hoe versla je een krokodil?', Enwer gaat voor actie – `hoe blus je een brand?' en Issehak kiest voor de techniek – `hoe slijp ik mijn mes in de jungle?'. Diezelfde belangstelling zie je in een andere vorm terug bij een project over fantasiedieren. Dan verzint avonturier Ennis Dropje – `een held', schrijft hij erbij, tekent Enwer een tweekoppig monster Poesmipoeljoe – `hij leeft in een donker hol' en ontwerpt Issehak een Jachtbrommer – `hij maakt een zwaar brommend geluid en alle kleine vogels zijn bang voor hem'.

Dat Kouwenaar deze drie jongetjes als voorbeeld neemt is niet toevallig, want dit zijn de stereotype voetballende Marokkaantjes, die liever op straat spelen dan met een pen in hun hand achter een papier zitten. Op de De la Reyschool is ruim de helft van de 200 leerlingen van allochtone afkomst. ``Dat boek dat we met z'n allen maken geeft ook de kinderen die moeite hebben met taal een goed gevoel: `Dat is míjn boek.' En doordat ze de verhalen zo dicht bij zichzelf kunnen houden – deze Marokkaanse jongetjes hebben bijvoorbeeld laatst een fotostripverhaal gemaakt over Superman die in hun wijk komt wonen – doen ze het ook graag.''

Maar wat als ze wel willen, maar niet kunnen? Kouwenaar: ``Met kinderen die moeite hebben met taal, die het eng vinden, werk ik samen in een groepje. Dan geven we ieders zinnen een andere kleur op het bord, zodat een kind ziet `kijk, dát is van mij'. Samen kiezen we de `veranderzinnen', de `blijfzinnen' en de `prachtzinnen', die we als onderschrift bij een tekening zetten. En we praten over de woordkeuze: wat past het best bij wat je wilt overbrengen?'' Zo wordt een `blijfzin' als `Drie paar rode ogen keken hem aan' uiteindelijk een `prachtzin': `Drie paar ogen staarden hem aan'.

http://taalunieversum.org/onderwijs/

onderwijsprijs

    • Jacqueline Kuijpers