Vrolijke keukens

Een vrolijke keuken is een `als keuken ingerichte kermisvermakelijkheid waar men schotels enz. kan stukgooien'. Moderne kermissen hebben zo'n inrichting niet. Voor alle zekerheid ben ik nog even gaan kijken op de Dam waar de totale kermis woedt. Wel allerlei vrolijks, maar geen keuken. Als ik een kermis zie ga ik op inspectie. Nog nooit heb ik een echte vrolijke keuken in bedrijf gezien. Geen wonder. In de oorlog (1940-1945) waren er geen kermissen. Daarna was er schaarste aan serviesgoed, toen begon de zware apparatuur van het vermaak tot ontwikkeling te komen, en nu kan de kermisgast van alles virtueel kapot of desnoods doodmaken. De oude vrolijke keuken is achterhaald. Toch blijf ik me afvragen of hij geen gat in de markt heeft achtergelaten.

Eerst een paar losse argumenten. De overigens zo zachtmoedige dichter Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919) die werkelijk geen vlieg kwaad deed, heeft op latere leeftijd een gedicht vol heimwee geschreven, waarin deze regel: `Ja! Ja! Nog één keer in de Nes, met dronken prolen slaan de boel kapot!' (De Nes was in zijn tijd de rosse buurt van Amsterdam). De titel van een nummer van Nick Lowe eind jaren zeventig luidt: I like the sound of breaking glass. Je zit in een café of restaurant, de ober struikelt en laat een stapel borden vallen. Tien tegen één dat er een hoeraatje opgaat. Er zijn zelfs mensen die in hun handen klappen.

Dan staat ergens een gebouw in de weg, te groot om steen voor steen te worden afgebroken. Het wordt opgeblazen. Duizenden komen kijken. Gejuich, applaus. Het televisiejournaal is erbij – denk aan de vier schoorstenen van de PEN-centrale, een paar jaar geleden, in Groningen. Er is een film van een half uur, die uitsluitend bestaat uit het opblazen van grote gebouwen. Je hebt toen je klein was aan het strand een mooi zandkasteel gemaakt. Liet het even alleen, ging terug en je zag een paar onbekende kinderen op de puinhopen dansen. Ik zie geen principieel verschil met de vrolijke keuken.

Tot zover dit hoofdstuk Algemene Verwoesting. At random. Een trapje hoger staat die van de Gerichte. Op de kermis, waar alles onschuldig begint, heb je gooitenten en schiettenten. In de gooitent gebruik je een bal als projectiel om een stapel blikjes te verwoesten. Dubbele lust: voor het publiek bewijs je je als scherpgooier terwijl je de blikjes in de diepte ziet/hoort kletteren. De schiettent biedt hetzelfde geluk. Als het een fotoshot is en je schiet raak, kun je ook nog een zelfportret van de triomfator mee naar huis nemen. Hier is de verwoesting in haar tegendeel verkeerd. Je hebt bewezen dat je over een vaste hand beschikt. Er is geen ego dat daar niet van opknapt. Van voltreffers gaat een therapeutische werking uit.

Nu kom ik tot het Amerikaanse vermaak. Altijd anders. Eerst iets van lang geleden, in Chicago, in het previrtuele tijdperk. Daar werd ik door een vriend meegenomen naar een schietattractie die bestond uit een groot formaat tent waarin een dierentuin was opgesteld. Eenden, kalkoenen, een beer, een buffel. Ieder lid van de menagerie had een schietschijf op het lichaam. Schoot je in de roos, dan viel het beest om, liet zijn doodskreet horen en kwam dan weer automatisch overeind. Ik zwichtte voor de verleiding, nam de buffel op de korrel. Nooit zal ik zijn doodsloei vergeten. Huisdieren hoorden niet tot de kermisdoelen. Als er in Amerika één zoogdier is waarop je als mens jaloers zou kunnen zijn, dan is het de hond.

Ik had al eens gelezen over een Amerikaanse versie van onze gooitent. Die heet: Hit the Man of Distinction. In het doelgebied staat een man in smoking, met een wat vergroot wit front. Het is van rubber, maar dat zie je niet. Voor een dollar kun je drie modderballen kopen. Dit gooien is de uiterste vervulling van het Amerikaanse gelijkheidsideaal, zoals we in de verkiezingsstrijd weer zullen merken. In deze kermisstent kon het doel de bal opvangen en teruggooien. Democratischer was niet mogelijk. Meestal gooide hij beter dan de klant. Nog meer pret.

Vorige week ging ik op mijn jaarlijkse bedevaart naar Coney Island. Ik had daar, aan de Board Walk, de houten boulevard langs het strand al eens een attractie gezien, Shoot the Freak, maar nooit in bedrijf. Het bestaat uit een rommelige kale sleuf tussen twee gebouwtjes. De muren zijn met graffitti bespoten, er staat een oude tafel met een paar stoelen. Meer het décor voor een toneelstuk van Sartre. Huis clos in de open lucht. Je moest maar raden naar wat daar gebeurde. Nu weet ik het.

Voor vijf dollar huur je er een kalasjnikov-achtig wapen. De munitie bestaat uit balletjes met verf. Aan het einde van de sleuf staat een echt mens, gekleed in een harnas van het soort dat ook in Star Trek wordt gedragen. Hij heeft een helm met een vizier van plexiglas. De schutter legt aan, mikt. Hij springt als een vlo heen en weer. Knal. Mis. De baas van het spul moedigt de klant via microfoon met versterker aan. Hit him between the eyes! Zorg dat hij niet meer kan zien. Knal. Een verfballetje spat uiteen op zijn vizier. Gejuich. Het doel blijft springen. Tien schoten.

Waarom wordt dit doel the Freak genoemd? To freak is een heftig, schokkend bewegen, maar in die betekenis wordt het bijna niet gebruikt. Een freak is een halvegare, of een wild geworden popzanger, of iemand die zich onder invloed van drugs bijzonder gedraagt. Waarom zou je die met verfballetjes beschieten? Ik vertelde mijn avontuur aan een paar Amerikaanse vrienden. Binnenkort wordt het Shoot the Liberal zeiden ze.

    • S. Montag