Volledig modern

Lange tijd is gedacht dat symbolisch gedrag, taalgebruik en abstract denken niet ouder is dan 50.000 jaar. Die theorie ligt nu zwaar onder vuur.

HET ZIJN MAAR armetierige kraaltjes, een paar dozijn schelpen met een gaatje erin. Toch is deze vondst uit Zuid-Afrika (Science, 16 april) belangrijk nieuws. Want ze zijn 75.000 jaar oud: eigenlijk te oud voor kralen. Volgens de heersende opvattingen over het ontstaan van modern menselijk denken en gedrag konden mensen toen nog geen kralen maken. Want vóór ongeveer 50.000 jaar geleden zou onze soort nog niet goed in staat zijn tot symbolisch denken en handelen. Maar een kraal, hoe onaanzienlijk ook, kan alleen maar een symbolische functie hebben. Dieren maken geen kralen, mensen wel.

Vergeleken met wat van voor die tijd bekend is, zijn de activiteiten van onze voorouders vanaf 40- à 50.000 jaar geleden (het laat-paleolithicum) zeer herkenbaar, al was het alleen maar door de schitterende kunst uit die tijd: de tot voor kort oudste kralen (ca. 45.000 jaar oud), de mysterieuze beeldjes uit Zuid-Duitsland (ca. 30.000 jaar), de rotstekeningen in Chauvet (33.000 jaar) en Lascaux (15.000 jaar). Precies daarom nemen veel antropologen en archeologen ongewoon grote woorden in de mond om dit laat-paleolithicum te beschrijven: `de grote sprong voorwaarts', `de creatieve explosie' of zelfs `de big bang van het menselijk bewustzijn'.

`De menselijke geschiedenis begint 50.000 jaar geleden', schrijft de archeoloog Steven Mithen in zijn nieuwste boek After the Ice (2003). Toen pas moet dus ook taal zijn ontstaan, het ultieme menselijke symbolische gedrag, zo betogen invloedrijke onderzoekers als Randall White, Lewis Binford, Ian Tattersall en Jared Diamond. Uiteindelijk ontstaat hier het verschil tussen `ons' en `de anderen' in de evolutie, zoveel is duidelijk.

Deze laat-paleolithische voorouders, de Cro Magnon-mensen, maakten tekeningen, beeldjes en zelfs muziekinstrumenten. Maar ook de werktuigen werden veel verfijnder en beter, er worden hutten gebouwd, doden krijgen grafgiften mee, er is meer ruilhandel over grote afstanden àlles lijkt te veranderen. En dit alles valt ook nog eens samen met de exodus van Homo sapiens uit Afrika vanaf circa 70.000 jaar geleden: in enkele tienduizenden jaren verspreidt de moderne mens zich over Europa, Azië en Australië. De andere mensensoorten, de Neanderthaler in Europa en een laatste Homo erectus in Indonesië, sterven dan uit. Het lijkt inderdaad een creatieve explosie.

krassen

Maar er zijn niet alleen kralen die dit idee in de war schoppen. Een paar jaar geleden werd eveneens in Zuid-Afrika een stuk oker gevonden met duidelijk doelbewuste krassen, ook al 75.000 jaar oud (Science, 11 januari 2002). De oker verscheen onmiddellijk op voorpagina's over de hele wereld (ook van deze krant) als de `de oudste kunst'. Kunst geldt hier in feite als materiële neerslag van volledig modern taalgebruik en symbolisch denken. Taal is alleen indirect terug te vinden, het oudste directe bewijs voor menselijk taalgebruik is amper 5.000 jaar oud: het vroegste spijkerschrift op kleitabletten.

Nu lijkt de oplossing voor het kralenprobleem eenvoudig: rek het ontstaan van het symbolisch denken enkele tienduizenden jaren op, kennelijk begon het symbolisch denken wat eerder dan gedacht. Maar zo simpel is het niet, want de vondst raakt aan een knellend probleem in de recente evolutie van de moderne mens. Het gaat hier om het staartje van een lange evolutie, die begon met een rechtoplopende mensaap ongeveer 6 miljoen jaar geleden. Na gestage groei van de hersenen vanaf 2 miljoen jaar geleden ontstaat ca. 160.000 jaar geleden onze eigen mensensoort Homo sapiens, met een `modern' lichaam en `moderne' hersenen. Om de gedachten te bepalen: 10.000 jaar geleden begon de landbouw, 200 jaar geleden kwam de industriële revolutie. Het probleem met Homo sapiens is dat deze voorouders pas sinds zo'n 40 à 50.000 jaar geleden (het laat-paleolithicum) zich onmiskenbaar `modern' gingen gedragen. Meer dan 100.000 jaar lang gaapt er dus een kloof tussen moderne anatomie en modern gedrag. Waarom? Een bijkomend probleem is dat deze `moderne kunst' vooral in Europa is gevonden.

Wie dan op grond van een paar kralen en krassen het ontstaan van symbolisch denken losmaakt van de tumultueuze expansie van Homo sapiens in het laat-paleolithicum, en `de geboorte van menselijke creativiteit' enkele tienduizenden jaren opschuift naar het verleden, heeft al snel weinig argumenten meer om die grens niet nóg veel verder op te schuiven. Want sommige onderzoekers vinden ook nog veel oudere aanwijzingen voor complex en symbolisch gedrag alleen nooit zo onomstreden en spectaculair als in het laat-paleolithicum. En dat is precies de discussie die nu gevoerd wordt in de antropologie en archeologie: hoe ver ga je terug? En wat blijft er dan nog over van de creatieve explosie?

Archeoloog Richard Klein (Stanford University) is één van degenen die stevig vasthouden aan het idee van een èchte revolutie 40 à 50.000 jaar geleden. Sterker nog, hij is een van de weinige onderzoekers die een heldere hypothese hebben over het ontstaan ervan. Hij zoekt het in een nog onbekende genetische mutatie met grote neurologische gevolgen die zich pas aan het begin van het laat-paleolithicum over de mensheid verspreidde.

Die mutatie is de sleutel voor het ontstaan van het moderne taalvermogen, zo schrijft hij in zijn recente boek `The dawn of human culture' (2002). Aan de schedels of de herseninhoud is rond die tijd niets bijzonders te zien, dus het moet te maken hebben gehad met de interne organisatie van het brein, aldus Klein. Alleen dankzij die mutatie kunnen we nu eenvoudig en snel allerlei complexe redeneringen ten beste geven, intensief communiceren en een cultuur opbouwen, kortom: symbolisch handelen. Zonder die mutatie was Homo sapiens neurologisch nog niet volledig modern, nog niet zoals `wij'. Volgens Klein vallen anatomische en culturele moderniteit dus samen.

``Natuurlijk, dit is een zeer problematisch idee'', zegt Klein zelfverzekerd in een telefonische toelichting, ``maar dat duurt niet lang meer. Want genetici over de hele wereld zijn naarstig op zoek naar taalgenen. Het enige taalgen dat tot nu toe is gevonden, FoxP2 [zie Nature, 4 oktober 2001], gaat terug tot 200.000 jaar. Dat is een begin, maar we zullen er nog meer vinden en ik voorspel dat die recenter zullen zijn.''

Klein is dan ook totaal niet onder de indruk van vondsten die zouden wijzen op eerder symbolisch denken, zoals de kralen en de bekraste oker. ``Je vindt altijd wel iets. Maar een enkele vondst is slechts een toevalligheid, de tweede is nog een incident, en pas als je er heel veel hebt, kun je spreken van een trend.'' En dan zet Klein tegen deze en andere vondsten het meest geduchte wapen van de archeoloog in: extreme scepsis. ``Kijk, zowel de kralen als die bekraste oker zijn gevonden in de Blombos-grot bij Kaapstad. Ik doe opgravingen in de buurt, in dezelfde aardlagen. Maar ik vind niks. Hoe kan dat? Ik heb die kralen gezien, en ik zie geen bewijzen voor daadwerkelijke menselijke bewerking. Het zijn stokoude schelpen, en daar komen wel eens gaten in. En dan die krassen in de oker. Het zou eigenlijk best een vervalsing kunnen zijn: juist in oker kun je niet goed zien wannéér er in gekrast is. En dan nog: het zijn krassen. Ik zou pas overtuigd zijn als ik een tekening van een antilope vond.''

voordeel

Klein vervolgt: ``En meer in het algemeen: als hier al een nieuwe manier van denken was ontstaan die een enorm evolutionair voordeel moet hebben geboden, al was het maar dankzij het taalvermogen dat er mee samengaat, waarom heeft die vernieuwing zich dan niet razendsnel verspreid? Waarom blijft het bij geïsoleerde vondsten? Beweren dat modern gedrag al veel eerder bestond is tegenwoordig een goede manier om media-aandacht te trekken, maar ik vind de aanwijzingen niet erg overtuigend.''

Een belangrijke tegenstander van Klein is de antropoloog Sally McBrearty (Universiteit van Connecticut). ``Onze huidige cognitieve capaciteiten waren al 300- tot 200.000 jaar geleden aanwezig'', zegt ze door de telefoon. Een paar jaar geleden schreef ze samen met Alison Brooks (George Washington University) een uitvoerig en veel geciteerd artikel onder de veelzeggende titel `The revolution that wasn't' (Journal of Human Evolution, november 2000). Het artikel is een indrukwekkende inventarisatie van menselijke resten en artefacten uit de Afrikaanse midden-steentijd (MSA, middle stone age, de periode voor de laat-paleolithische revolutie) èn een beoordeling van die overblijfselen op `moderniteit'.

McBrearty en Brooks onderscheiden in de menselijke moderniteit vier (weinig omstreden) elementen: abstractievermogen (begrip ongebonden aan specifieke tijd en ruimte), planning (strategisch inzicht en begrip van de toekomst), innovatie, en ten vierde: evident symbolisch gedrag (afbeeldingen, rituelen). Zoals onder archeologen gebruikelijk wordt die moderniteit meer concreet verbonden aan toenemende diversiteit en grotere standaardisatie van gereedschappen, aan sieraden en afbeeldingen, aan de indeling van leefruimten, aan rituelen, aan gespecialiseerde jachttechniek (in het bijzonder vistuig), aan grotere geografische reikwijdte en aan ruilnetwerken.

Gewoonlijk worden deze kenmerken gezien als typisch voor het laat-paleolithicum. Maar de conclusie van McBrearty en Brooks is dat vrijwel al deze `moderne' aspecten van menselijk gedrag al in Afrika zijn terug te vinden vanaf 300- tot 250.000 jaar geleden. Dan eindigt de archeologische periode van het Acheulien (gedomineerd door de grote vuistbijlen) en begint een geavanceerder cultuur (Levallois, Moustérien of gewoon: MSA) waarbij het maken van de werktuigen veel meer planning vereist.

De ironie is dat dertig jaar geleden het Afrikaanse MSA nog niet goed gedateerd was. Men dacht toen dat het gelijktijdig was met de het laat-paleolithicum in Europa. McBrearty: ``Het is werkelijk belachelijk om je nu te realiseren dat toen iedereen de overeenkomsten benadrukten tussen MSA en laat-paleolithicum. Maar toen werd de datering verbeterd, en ineens hoor je niemand meer over de overeenkomsten!''

expansie

In hun artikel in Journal of Human Evolution gaan McBrearty en Brooks alle aspecten van moderniteit langs voor het MSA. Geografische expansie blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de oudere Acheulische vindplaatsen altijd dicht bij waterplaatsen zijn te vinden, maar die uit het MSA niet meer. McBrearty: ``Kennelijk hadden ze toen ineens iets om water in mee te nemen.'' Ook zijn er aanwijzingen vanaf 90.000 jaar geleden dat mensen gaan leven in woestijnachtige gebieden, hetgeen zorgvuldige planning en jachttechniek vereist. Verder zijn onder meer in de Levant `blades' gevonden van ongeveer 300.000 jaar oud, bij de Nijl ouder dan 200.000 jaar. Blades (scherpe afslagen in de vorm van een mes) worden als typisch modern beschouwd wegens de complexe techniek en de doelbewuste planning die er voor nodig is. Ook stenen (speer-)punten, algemeen gezien als een teken van moderne techniek, blijken bekend uit het MSA, soms wel 235.000 jaar oud.

Zelfs een oude Graal van moderniteit, benen werktuigen, is in het MSA aan te treffen, met de fraaie harpoenpunten uit Congo (ca. 80.000 jaar oud) als hoogtepunt. Ook de afstanden (tot meer dan 100 km) waarover materiaal vervoerd wordt in het MSA zijn nauwelijks anders dan in het laat-paleolithicum. Ook zijn in MSA-vindplaatsen bewijzen voor tentachtige constructies gevonden: paalgaten, greppeltjes of mysterieuze stapels stenen.

Sieraden en kunstvoorwerpen (behalve de kralen en de okerkrassen uit Zuid-Afrika) zijn er vrijwel niet in het MSA, maar wel een overvloedig gebruik van oker, al dan niet in potloodvorm. Dit wijst op lichaamsversiering, aldus McBrearty en Brooks. ``En'', voegt McBrearty er aan toe, ``mij zal het niet verbazen er zeg 100.000 jaar geleden ook èchte tekeningen werden gemaakt. Maar of ze bewaard zijn is de vraag. In Afrika zijn er geen kalksteengrotten die in Europa de tekeningen zo prachtig geconserveerd hebben.''

En niet toevallig verschijnen precies in de tijd van het ontstaan van de MSA-cultuur ook fossielen met typische vroege Homo sapiens kenmerken. Die fossielen worden vaak toegewezen aan de soort Homo helmei of `archaïsche Homo sapiens', maar volgens McBrearty en Brooks kunnen ze beter gewoon voluit Homo sapiens worden genoemd. Want hier ontstaat volgens hen tegelijk de moderne anatomie èn het moderne gedrag.

Ook bij McBrearty vallen anatomische en culturele moderniteit dus samen, alleen 200.000 jaar eerder dan bij Klein. ``Uiteindelijk komt die vernieuwing neer op een nieuw vermogen tot innovatie, tot uitvinding'', legt McBrearty uit. ``En die uitvindingen worden op elkaar gestapeld. In het laat-paleolithicum bereikte die trend een hoogtepunt, dat ontkent niemand. Maar dàt is niet het begin van Homo sapiens, de mensen die daarvoor leefden hadden dezelfde cognitieve capaciteiten. De culturele en technische ontwikkeling was alleen nog niet zo ver. Langzaam komt alles bij elkaar. Het pakket lijkt compleet in het laat-paleolithicum, maar dat is een cumulatief effect, niet een essentiële vernieuwing. Ik zie het laat-paleolithicum meer als een soort Athene: ineens bloeit alles op. Maar dat heeft geen biologische oorzaak, dat is een culturele ontwikkeling. Inderdaad, daarom kon in die tijd een inwoner van het eilandje Serifus de grote Athener Themistocles verwijten dat die alleen maar zo beroemd was geworden omdat hij toevallig in Athene was geboren, op de juiste tijd en plaats. In Serifus waren ze cognitief en biologisch even `modern', alleen daar pakte het allemaal wat minder spectaculair uit.''

mutatie

Klein laat zich echter niet overtuigen door de uitvoerige opsomming van MSA-moderniteit. Over veel door McBrearty en Brooks genoemde opgravingen weet hij ook nog wel een sceptische opmerking te maken. ``Ik denk zelf dat die harpoenen uit Congo verkeerd gedateerd zijn, die zijn uit een jongere aardlaag gespoeld.'' Toch ziet hij óók overeenkomsten. ``McBrearty gaat er van uit dat de vernieuwingen in het MSA relatief geïsoleerd bleven en pas in het laat-paleolithicum samenkomen. Zo zie ik het uiteindelijk ook. Ik denk alleen dat dat samengaan van alle vernieuwingen te danken is aan een genetische mutatie.''

Een andere vooraanstaande prehistoricus is Nicholas Conard, een Amerikaan verbonden aan de Universiteit van Tübingen. Eind vorig jaar publiceerde hij zijn vondst van een drietal 30.000 jaar oude beeldjes uit de Duitse Hohle Fels-grot (Nature, 18 december 2003) – groot nieuws op de voorpagina's. ``Ik zie die hele revolutie van het laat-paleolithicum als een kwestie van definitie. Het gaat om tienduizenden jaren! Als je toen leefde, zag je echt geen revolutie.'', zegt hij in een telefonische toelichting. ``Ik zie een mozaïek van culturele veranderingen die heel ver terug gaat en in het laat-paleolithicum slechts versneld is. Die versnelling leidt tot grootse dingen. Dat mag je dan een revolutie noemen, maar ik vind dat niet nodig. De laatste jaren zien we toch steeds meer in dat die zogenaamde archaïsche mensen, Neanderthalers in Europa en pre-Homo sapiens in Afrika, hun levensomstandigheden eigenlijk héél goed onder controle hadden, ze waren héél handig in het overleven. Sterker nog: die veronderstelde groei naar `moderniteit' heeft niet één omslagpunt. Zelfs McBrearty en Brooks simplificeren als ze die moderniteit laten samenvallen met het ontstaan van Homo sapiens, volgens hen dus ergens 250.000 jaar geleden. Dat is óók een willekeurige lijn. Als je verder teruggaat vind je heus ook complex gedrag.''

Maar zelfs Conard zwicht voor de dringende vraag naar een ànder omslagpunt. ``Oké, bij Homo erectus is het toch echt anders, die zijn niet meer zoals wij.'' Dat zitten we op meer dan 500.000 jaar geleden.

En zo schuift de grens van moderniteit heen en weer. Misschien heeft daarom uiteindelijk de wetenschapshistoricus Robert Proctor gelijk, die vorig jaar in Current Anthropology (april 2003) het nut van de speurtocht naar moderniteit principieel in twijfel trok. In essentie gaat het om toekenning van `menselijkheid' en dat zal uiteindelijk altijd een moreel besluit zijn. Proctor: ``Uiteindelijk is die voorstelling van zaken een persoonlijke beslissing.''

Deze relativering krijgt steun uit onverwachte hoek, namelijk van Richard Klein, die zich tijdens het gesprek plotseling afvraagt: ``Hoe belangrijk is het nu eigenlijk wanneer we mensen precies `modern' mogen noemen? Als je kijkt naar de huidige wereldproblemen, in Afrika waar ik binnenkort weer naar toe ga, maar ook in het Midden Oosten, dan kan ik die vraag toch niet echt belangrijk noemen.''