Verboden voor moffinnen

Ex-tewerkgestelde Bert van Rijswijk moest in 1945 bewijzen dat hij geen nazi was geworden. Zijn Duitse vrouw mocht Nederland niet in. Maar het lukte hen met baby over de grens te komen. `In Nederland was ik heel bang op straat', zegt Ursula van Rijswijk. `Ik stelde me heel bescheiden op.'

Hou je nog van me? Net als zoveel andere vrouwen stelt Ursula van Rijswijk-Gulich (82) deze vraag der vragen af en toe aan haar echtgenoot. Maar net als zoveel andere mannen is Bert van Rijswijk (87) zuinig met grote woorden. Meestal antwoordt Bert met een verzuchting. ,,Mensenkinderen, wat een stomme vraag. Je weet toch wat ik heb moeten doen om je te krijgen.'' En daar moet ze Bert gelijk in geven, zegt Ursula: ,,Maar weinig mannen hebben zoveel voor hun vrouw gedaan als mijn man.''

Binnenkort hopen Bert en Ursula van Rijswijk hun 59ste huwelijksdag te vieren. Op 2 juni 1945 zijn ze in Leipzig getrouwd: een Nederlandse arbeider die in Duitsland gedwongen te werk is gesteld en een Duits meisje dat twee weken eerder haar eerste kind heeft gebaard. De oorlog is afgelopen en Bert van Rijswijk wil met zijn vrouw en zoon naar Nederland repatriëren. Over zijn uiterst moeizame tocht naar huis en de kille ontvangst die het gemengd gehuwde paar daar ten deel valt, gaat dit verhaal.

Pest in zijn lijf

Op tramlijn 6 van Stötteritz naar Gohlis, twee voorsteden van Leipzig, ontmoeten Bert en Ursula elkaar in december 1943. Twee mensen in uniform: een tramconductrice uit Leipzig en een postsorteerder uit Rotterdam. Hij spreekt geen woord Duits, zij geen woord Nederlands. De conductrice vindt die stille Hollander met de ziekenfondsbril een koppige kerel. Zijn maten zijn vrolijk, maar hij kijkt altijd nors en drukt haar zijn 10 Pfennig-stuk voor het kaartje steeds met een verachtelijk gebaar in de hand.

Bert van Rijswijk zit met de pest in zijn lijf in de tram: hij wil helemaal niet in Leipzig zijn. Maar de 26-jarige PTT'er heeft weinig te willen. Net als een half miljoen andere Nederlanders wordt hij in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland te werk gesteld. Hij haat dat land. Met eigen ogen heeft hij een paar jaar eerder vanaf de Beierlandselaan in Rotterdam-Zuid gezien hoe de Luftwaffe het centrum van zijn woonplaats kapot bombardeert.

Maar van zijn voornemen om in Leipzig nimmer een woord Duits te spreken, komt weinig terecht. Bij een ongeluk op zijn werk verliest Bert een vingernagel. Met de tram op weg naar de dokter raakt hij in gesprek met de conductrice die hem altijd een kaartje verkoopt. Een gesprek met handen en voeten, waarin hij haar uitnodigt voor een bioscoopbezoek. Een paar weken later gaan ze naar het theater. ,,We waren beiden verloofd'', vertelt Ursula, ,,Maar in de oorlog leefde iedereen bij de dag; morgen kon het allemaal weer anders zijn.''

Uit de vriendschap bloeit iets moois. Bert en Ursula verbreken hun verlovingen en als de sorteerder niet hoeft te werken, rijdt hij hele dagen mee op de tram. In september 1944 raakt Ursula zwanger en in mei 1945, een maand na de bevrijding door de Amerikanen, wordt hun zoon Frank geboren. Kort daarna trouwen Ursula en Bert met een bloemstukje `geleend' van een begraafplaats. Doordat Saksen als gevolg van het verdrag van Jalta onder Russisch bewind zal komen, verwacht het bruidspaar in Nederland een betere toekomst te vinden. Omdat hun zoon nog te jong is om te reizen en Bert wil weten of zijn huis na achttien maanden nog overeind staat, reist de sorteerder een week na zijn huwelijk alleen af naar Rotterdam. In zijn bagage zit alleen een portretfoto van zijn vrouw. `Vergiss mich nicht! Meinem geliebten Bert. Zum Tage des Abschiedes von seiner Ursula. Leipzig, am 11.6.45', heeft zij in een zwierig handschrift op de achterzijde genoteerd. Over een paar weken zal Bert zijn gezin (,,mijn oorlogsbuit'', zal hij later voor de grap wel zeggen) komen ophalen.

Anti-Duitse stemming

Drieëneenhalve maand hoort Ursula niets van haar man – de post en de telefoon werken nog niet. Als ze in Leipzig met de kinderwagen over straat loopt, fluisteren haar buren: ,,Dat komt er nou van als je met een buitenlander aanpapt.'' Bij Russische militairen informeert ze hoe ze naar Nederland kan reizen. ,,U bent en blijft Duitse, en uw man blijft in Holland!'', luidt het barse antwoord.

Aan een Rotterdammer die naar Nederland gaat, geeft zij een brief mee voor haar man waarin ze hem uitlegt hoe uitzichtloos de toestand in Saksen is. Bert schrikt van het bericht. Hij wacht thuis al maanden op een visum om naar Duitsland te reizen. In juni heeft hij bij thuiskomst al ondervonden hoe angstig het naoorlogse Nederland is voor iedereen die uit Duitsland komt. De anti-Duitse stemming treft niet alleen Duitsers van geboorte, maar ook de politieke gevangenen, de dwangarbeiders en tewerkgestelden en zelfs de joden die de concentratiekampen hebben overleefd. Na soms jaren van ontberingen wacht de repatrianten een weinig hartelijke ontvangst.

Bij de grens moet Bert van Rijswijk zich uitkleden voor een controle op SS-tatoeages. Later moet de expediteur in Rotterdam voor een zuiveringscommissie uitleggen waarom hij met een Duitse vrouw is getrouwd. ,,Of ik een nazi was geworden, vroegen de heren. `Zijn jullie weleens in Duitsland geweest', antwoordde ik. `Jullie weten niks van bombardementen, jullie weten niks van wat ik daar heb meegemaakt. En mijn vrouw? Ik ben om dezelfde redenen met haar getrouwd als u met uw vrouw.' En toen ben ik weggelopen, ik had ze de mond gesnoerd.''

Bij het Militair Gezag krijgt Bert van de dienstdoende kapitein te horen, dat deze pas wat voor hem kan doen als zijn gezin in Nederland is. Hij krijgt van de PTT onbetaald verlof en reist, illegaal twee grenzen passerend, in september van Rotterdam naar Leipzig. Na het weerzien besluiten Bert en Ursula zo snel mogelijk naar Nederland te reizen. Maar hoe? Om te beginnen laten zij hun huwelijksakte door een buurmeisje antidateren. Zoveel tewerkgestelde mannen blijken in den vreemde getrouwd te zijn, dat de Nederlandse overheid na protesten alle `Duitse' huwelijken van ná 1942 ongeldig heeft verklaard.

Dronken bewakers

Op 3 oktober begint het paar aan de reis naar Rotterdam. Hoe deze 37 dagen durende tocht is verlopen, heeft Ursula van Rijswijk een paar jaar geleden op verzoek van een kleindochter beschreven in een ego-document getiteld Die Geschichte meines Lebens. De beschrijving van de reis van Leipzig naar Rotterdam leest als een horrorverhaal, waaraan geen eind lijkt te komen. Eerst verblijft het gezin in een door Russen gecontroleerde barak vol luis en ander ongerief. Na tien dagen wachten op een transport dat niet komt, weten zij te ontsnappen aan hun dronken bewakers.

In een open goederentrein reizen zij vervolgens naar Berlijn. Na deze 27 uur durende tocht, met onderweg Russische militairen die het op de bagage hebben gemunt (Ursula: ,,De Russen hadden nog een appeltje met ons Duitsers te schillen''), moet hun zoon in een ziekenhuis worden opgenomen. Pas na een week is hij genoeg hersteld om verder te reizen. Met een Nederlands echtpaar, vier kinderen van NSB-ouders en een baby die bij een Berlijnse kerk te vondeling is gelegd met een bordje `Utrecht' om de nek, vertrekt het gezin Van Rijswijk met een Rode Kruis-transport naar Burgsteinfurth, op 30 kilometer van de Nederlandse grens.

In Burgsteinfurth wacht het echtpaar een nieuwe verrassing. Ook Duitse vrouwen die vóór 1942 met een Nederlander trouwden zijn niet meer welkom. ,,De NSB-kinderen mochten wél Nederland binnen, maar mijn vrouw niet'', zegt Bert van Rijswijk, nog altijd verongelijkt. Een paar Nederlandse officieren in Gronau leggen de volgende dag uit dat deze maatregel voor Ursula het beste is. ,,Duitse vrouwen worden in Nederland door de bevolking gelyncht'', waarschuwen de militairen. ,,Leugenaars'', zegt Bert, en als bewijs dat hij al in Nederland is geweest laat hij de mannen zijn repatriëringskaart en zijn nieuwe geld zien. Maar Ursula heeft het nu gehad, zij wil naar huis terug, desnoods alleen.

Bert geeft de moed nog niet op. Hij heeft een Hollandse vrouw gesproken die met een Duitse zwarthandelaar is getrouwd. Tegen betaling wil de man hen de grens overzetten. De kosten van deze gevaarlijke operatie zijn niet gering: 100 nieuwe Nederlandse guldens of 1.000 D-mark. Dat geld hebben ze niet, maar een passante is zo vriendelijk hun het geld te lenen met de bagage en hun trouwringen als onderpand.

Met de baby op hun buik beginnen ze 's nachts aan de wandeling door het met grachten en prikkeldraad beschermde spergebied. Door de fopspeen voortdurend in de suiker te dopen weten ze te voorkomen dat de kleine Frank de grenswachten alarmeert. Na een lange wandeling door bos en over akkers moet het gezin zich een nacht in de kou schuil houden, voordat ze door een vrachtwagen naar het station van Enschede worden gebracht. Met hun bemodderde kleding stappen ze tenslotte in de trein naar Rotterdam. Als de baby halverwege de reis ontroostbaar begint te huilen, vraagt een vrouwelijke passagier bezorgd of er soms een speld van de luier los is. Bang zich te verraden blijft Ursula strak uit het raam kijken. ,,Die is doof of dom'', zeggen de passagiers. Om zes uur 's avonds stapt Ursula van Rijswijk bij het Maasstation uit de trein. Gott sei Dank, endlich waren wir in Rotterdam, meiner und Franks neuen Heimat, totmüde, aber glücklich und dankbar!, besluit Ursula een halve eeuw later het verslag van de tocht van haar leven.

Buren in schuilkelders

Het zou nog vele jaren en een hoop leugentjes om bestwil kosten voordat Ursula de Nederlandse nationaliteit krijgt. De overheid blijft twijfelen aan de ,,goede Nederlandse gezindheid'' van tewerkgestelden met een Duitse vrouw. Beledigend, vindt Bert van Rijswijk, zeer beledigend. ,,Men had destijds geen idee wat wij in Duitsland moesten doorstaan. Ik ben daar jarenlang gebombardeerd, heb een collega en vele buren zien sneuvelen. Als je met Duitsers samen in de schuilkelders zit, krijg je vanzelf een band met elkaar; je deelt hetzelfde lot.''

En Bert van RIjswijk is niet de enige geweest die een Duitse vrouw liefhad. ,,In Leipzig werkten dertig PTT'ers. Ik ken wel tien collega's die met een Duitse zijn getrouwd. Er werd heel wat afgescharreld. Vooral getrouwde mannen hadden het moeilijk. Vaak begonnen zij een verhouding met een Duitse vrouw. Daarvan zaten er veel alleen thuis met de kinderen. Op een dag kwam een hoge SS'er in uniform naar het postverdeelcentrum. Hij zocht een Nederlandse collega, een man van wie wij wisten dat hij een verhouding met een Duitse vrouw had. Wij vreesden het ergste, maar wat bleek: die Duitser kwam die Hollander bedanken omdat hij zo goed op zijn vrouw en kinderen had gepast terwijl hij aan het front zat. Onze collega moest die avond wel gewoon in de barak slapen, zei die SS'er, hij was nu immers weer thuis.''

Untermenschen

Ook Ursula van Rijswijk kijkt met gemengde gevoelens op de oorlog terug. Natuurlijk: zij heeft Bert leren kennen, maar de oorlog heeft ook een schaduw over haar leven geworpen. Haar Poolse vader, die in de Eerste Wereldoorlog nog met de Oostenrijkers meevocht, zit in de volgende wereldoorlog lange tijd gevangen omdat Hitler de Slavische volkeren als `Untermenschen' beschouwt. Twee ex-verloofdes van haar sneuvelen in de oorlog, Heiner als infanterist in de Eiffel, Louis in Rusland. Ook andere vrienden, kennissen en buren overleven de oorlog niet. En na zestig jaar heeft zij soms nog nare dromen van de eindeloze reeks bombardementen op Leipzig.

De eerste jaren in haar `neue Heimat' schaamt zij zich vooral: ,,Toen ik naar Nederland kwam, was er nog veel haat tegenover Duitsers. Vooral in Rotterdam, met die vreselijke hongerwinter. Ik schaamde me dat ik uit Duitsland kwam. Als kind ben ik tot 1935 enthousiast lid geweest van de Bund deutscher Mädel. Ik was trots op mijn uniform en vond het erg dat mijn moeder geen zin had thuis een portret van Hitler op te hangen en het mij verbood `Heil Hitler' te zeggen. Toen schaamde ik me, omdat bij de meeste andere kinderen thuis wél nazi-vlaggen hingen. Tot 1933 ging Duitsland gebukt onder de oorlogsschulden van de Eerste Wereldoorlog. Hitler veranderde alles. De schulden werden gewoon niet meer afgelost en iedereen vond werk. En de jeugd kreeg hij op zijn hand met vakantiekampen en veel sport.

,,Maar wat de nazi's met de joden hebben gedaan, dat ben ik pas na de oorlog te weten gekomen. Wir haben es nicht gewusst, hoor je Duitsers vaak zeggen. Dat was in veel gevallen écht zo. Er waren zoveel dingen waar niet over mocht worden gepraat. De concentratiekampen zaten ook vol met Duitse socialisten en communisten.

,,In Nederland stelde ik me heel bescheiden op, ik deed alles om maar niet op te vallen. Vooral op straat was ik erg bang. Een keer stond ik in de rij voor bioscoopkaartjes. Iedereen sprak met elkaar, maar ik hield mijn mond. Tot iemand aan mij vroeg hoe laat het was. Toen riep een grote vrouw: `Er is hier een rotmof tussen. Ik sla haar zo met mijn klompen de hersens in!' Gelukkig kwamen twee mannen naar voren om mij te beschermen. Ze zeiden: `Niet alle Duitsers zijn slecht; wij zijn zelf in Duitsland geweest en hadden het goed.'

,,Een andere keer vroeg mijn schoonzuster of ik bij de slager een ons Gelderse worst wilde halen. Omdat ik de `G' niet kon uitspreken wees ik naar een worst boven de toonbank en zei: `Een ons van die worst, alstublieft.' De slager keek me aan alsof ik gek was: `Die is van steen.' Ik zei `gut'. Hij pakte de worst van de haak, sloeg daarmee op de toonbank en zei: `Dat kan je niet eten, dat is van steen.' Achter mij zei een vrouw: `Die rotmoffen hebben hier alles weggehaald en nu willen ze ook de stenen worsten nog vreten.'''

Tien jaar na de oorlog verhuist het gezin naar Overschie. Een trappenhuis met acht families en in totaal 28 kinderen. Maar als een van de kinderen iets heeft uitgespookt, wijzen sommige buren nog altijd als vanzelfsprekend naar de twee kinderen van de familie Van Rijswijk. ,,Het is vast één van de zonen van die rotmoffin'', klinkt het dan.

Bert van Rijswijk: ,,Wij zijn geen oorlogsslachtoffers, beslist niet. Maar er was veel onbegrip. Voor onze jongens uit Bosnië staan nu psychiaters klaar. Dat is mooi. Maar wie stond ons bij, de mensen die in Duitsland te werk waren gesteld? Zowel geestelijk als financieel moest je het zelf maar zien te redden.''

Ursula van Rijswijk is als `oorlogsbuit' gelukkig geworden in Nederland. Al voelt ze zich na bijna zestig jaar nog steeds Duitse. ,,Ik ben ook van Holland gaan houden maar ik heb nog altijd heimwee. In Leipzig voel ik me nog steeds thuis, al zijn veel van mijn vrienden in de oorlog gesneuveld. Saksen is en blijft mijn Heimat.''

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam