Twee strategieën

Wie nadenkt over zijn geldzaken kan flink in verwarring raken. Minister De Geus van Sociale Zaken is druk in de weer met de vakbonden en werkgevers over verwenregelingen als de VUT, het prepensioen en de levensloopregeling. Daar is het royale van voorheen af. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) constateert dat diverse beleggingsfondsen zich niet pluis gedragen en zo hun deelnemers benadelen. Welke fondsen dat zijn, vertelt de AFM niet. Wettelijke geheimhouding, weet je wel. Dat is evenmin pluis, want miljoenen mensen stoppen (in)direct hun geld in fondsen en hebben daarom recht op informatie waar je wat aan hebt. De hypotheekrente stijgt weer, de aandelen willen niet lekker opbloeien en de pensioenregelingen versoberen. Je bent voor later gewoon aangewezen op jezelf. Maar hoe zet je dat op?

Lezers vragen weleens wat ze opzij moeten leggen voor later. Bijvoorbeeld om eerder dan op hun 65ste te kunnen stoppen met werken of om een verpieterd pensioen aan te vullen. Die vraag is niet te beantwoorden. Het gaat erom hoeveel geld je straks nodig denkt te hebben en van daaruit moet je terugkijken naar vandaag, de vereiste inleg berekenen en de passende strategie kiezen. Dat is een persoonlijke afweging waar geen standaardregels voor zijn. Een lastige kwestie. Wie weet er nou hoeveel hij over twintig jaar nodig heeft?

Over langetermijnstrategieën kun je wel wat zeggen. Daarom twee tegengestelde voorbeelden: de jaarlijks ontvangen rente beleggen in aandelen, en het jaarlijkse dividend sparen. De eerste opzet is bedoeld voor risicomijdende mensen die sparen, maar toch een vleugje risico willen lopen. De tweede is voor beleggers in aandelen die het koersrisico geleidelijk aan willen afbouwen. Het op te bouwen vermogen (boven de vrijstelling van 19.252 euro per persoon in 2004) valt altijd in de met 1,2 procent per jaar belaste box 3. Die 1,2 procent gaat altijd van je rendement af, anders dan de inflatie, want die vermindert (misschien) alleen je koopkracht.

Een vuistregel voor een spaarder die de eerste strategie volgt, is de rente weg te strepen tegen de 1,2 procent belasting plus de vermindering van zijn persoonlijke koopkracht, de inflatie. Wie spaart, verdient dan niets, maar houdt zijn kapitaal in stand. Meer niet. Hoewel? Wanneer de rente onder de circa 2,5 procent daalt, teer je ongemerkt in. Vandaar dat vleugje risico.

Hoe pak je dit aan? Stel je beschikt op een vrije spaarrekening over 25.000 euro tegen 3,5 procent (het percentage kan fluctueren), dus 875 euro rente per jaar. Dat bedrag beleg je in aandelen door elke maand (afgerond) 75 euro automatisch te beleggen in een wereldwijd beleggingsfonds, dat heet middelen, ondanks de bedenkingen van de AFM. Het uitgangspunt is dat die belegging gerekend over een reeks van jaren meer aan koerswinst plus dividend oplevert dan de spaarrente. De hoofdsom van 25.000 euro blijft zo ongeveer intact. Je krikt het rendement op door de maandinleg van 75 euro te verhogen, wat mogelijk de hoofdsom beïnvloedt, want daar teer je op in.

De tweede strategie gaat uit van bijvoorbeeld 25.000 euro in aandelen van zo'n vijf degelijke internationale ondernemingen, die een flink dividend opleveren in geld of in aandelen. Zeg 6 procent of meer. Die aandelen liggen niet elke dag voor het oprapen. Je moet geduld hebben en wachten op een lagere koers. Het komt er op neer dat je je portefeuille met beleid moet samenstellen. Dat mag best twee jaar duren.

Die aandelen leveren elk jaar dividend op. Dat beleg je niet weer, zoals gebruikelijk, maar je zet het op een spaarrekening. Je roomt je portefeuille dus af en vermindert zo het koersrisico. Wat overblijft aan aandelenrendement is de koersstijging van de in het begin gekochte aandelen en niet meer het dividend. Door elk jaar 4,8 procent netto (6 procent dividend minus de 1,2 heffing) over te hevelen, bezit je na een jaar of twintig circa 25.000 euro spaargeld en is de verdeling tussen aandelen en sparen ongeveer gelijk. Je kan de overheveling desgewenst versnellen door een onverwachte flinke koersstijging van de aandelen in een klap over te hevelen naar je spaargeld.

Binnen deze twee uitersten – sparen en beleggen – kun je de zaken naar behoefte variëren.

    • Adriaan Hiele