Steentjes in de schoenen

De ruim drie miljard gulden aan ontwikkelingshulp die Nederland Suriname bij de onafhankelijkheid in 1975 toezegde, zijn bijna op. Deze maand besluit minister Van Ardenne hoe ze verder wil. Over Dreft uit Holland en een brandweerauto uit Amsterdam.

`Ha!' Deryck Ferrier, zoon van de eerste president van de republiek Suriname, lacht schamper als het onderwerp ter sprake komt. De relatie Nederland-Suriname? ,,Ha! Man, man, wat een ellende.'' Ferrier, wiens onderzoeksbureau CESWO bij meerdere ontwikkelingsprojecten betrokken was, kan je verhalen vertellen over de verhouding tussen oud-kolonie en moederland. Over ,,gebrek aan pragmatisme'', het ,,blijven hangen in koloniale reststructuren'' en het ,,elkaar alleen maar bezig blijven houden''.

Neem het `Ontwateringsprogramma Pad van Wanica-West', opgezet in 1977-1978. Doel: een melkveeproject. Daarvoor moest moerasachtig gebied worden ontwaterd. Er werden kanalen gegraven. En er werden, voor ruim vijf miljoen gulden, twee drainagepompen besteld. Toen kregen Suriname en Nederland ruzie over wie de electriciteit zou betalen. Er kwam geen oplossing. De kanalen langs het Pad van Wanica groeiden weer dicht met tropisch gras. En de drainagepompen? ,,Ga maar eens kijken aan de Letitia Vriesdelaan.''

Daar rijden we nu, langs het voetbalstadion in Paramaribo, naar de langgerekte laagbouw van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij. En inderdaad, op het achterterrein, naast de manjabomen staan de twee drainagepompen. Metershoog, overwoekerd door onkruid. Een groene ficus steekt boven het roestige staal uit.

Deryck Ferrier heeft nog even opgezocht wat de projectkosten waren: 12 miljoen gulden. In prachtige volzinnen geeft hij zijn oordeel. ,,Bepaald schandalig tot aan het misdadige toe'', noemt hij het dat de beide landen ,,vanwege een stomme futiliteit onverschillig hebben toegezien hoe dit ter verwaarlozing aan de natuur is overgeleverd.''

Verwaarlozing.

Het is een treffende karakteristiek voor de Nederlands-Surinaamse verhoudingen. Althans, op officieel niveau, waar altijd `steentjes in de schoenen bleven zitten'. En dat begon in 1975, het jaar waarin Suriname onafhankelijk werd, een wens die maar door een deel van de bevolking werd gedragen. Maar voor het kabinet-Den Uyl was dekolonisatie belangrijk en de Surinamers konden hun nieuw verworven soevereiniteit vieren met een bruidschat van meer dan drie miljard gulden. Achteraf, zo zei oud-minister Jan Pronk tijdens de Multatulilezing van 2002, pakte dat verkeerd uit: de oud-kolonie werd hulpafhankelijk, en wel grotendeels van haar vroegere moederland. Nederland wilde zijn geld goed besteed zien en stelde zich in Surinaamse ogen bevoogdend op. Paramaribo speelde op haar beurt op het Haagse koloniale schuldgevoel in en lag bij onderhandelingen over besteding van de ontwikkelingsgelden bijna altijd dwars.

Maar er gebeurde veel meer na 1975. Een staatsgreep, door Nederland `gedoogd'. De `Decembermoorden', die tot stopzetting van de ontwikkelingshulp leidden, met als gevolg een economische terugval. De terugkeer naar de democratie in 1987, die volgens veel Surinamers niet intensief genoeg door Nederland is ondersteund. De doorbraak van de drugsmaffia in het land. En het gebrek aan modernisering van het vermolmde politieke bestel en de `oude politieke partijen', goedbeschouwd belangenverenigingen voor hun etnische achterban.

Als er na 1987 weer onderhandeld wordt over de hervatting van de ontwikkelingsgelden, blijft de verhouding moeizaam. Eindeloze `bestedingsoverleggen' dragen een voortdurende zweem van ergernis. Ondertussen komt de bodem van de pot met geld uit 1975 in zicht. Hoe moet het verder als die pot straks leeg is? Opnieuw geld doneren? En weer op deze manier?

In 2000 besluiten beide landen de effecten te onderzoeken van de ontwikkelingshulp sinds de onafhankelijkheid. Achter dat besluit zat een duidelijke agenda. Het resultaat van de studie had een keerpunt moeten zijn. Een opstap naar wat politici al jaren ,,een volwassen relatie'' noemden.

Kritiek slikken

Zo verscheen begin dit jaar na veel hangen en wurgen het rapport Een belaste relatie, geschreven door de Nederlandse ontwikkelingssocioloog Dirk Kruijt en zijn Surinaamse collega Marion Maks. Er was ruzie geweest over wie zich met het rapport mocht bemoeien. Er was enorme vertraging ontstaan. En er was onenigheid losgebarsten over de eindversie. Uiteindelijk werd het rapport goedgekeurd door referentiegroepen uit beide landen. Sinds 1975 was er ,,weinig gestalte gegeven aan gemeenschappelijkheid''. De relatie kenmerkte zich ,,door gebrek aan empathie'' waarin ,,emotionele en onzakelijke motieven en verwachtingen de kwaliteit van de hulp wazig maken in een mist van verwijt en rancune''.

Minister Van Ardenne had het meteen over een ,,kritisch en nuttig rapport met waardevolle conclusies''. Want dát was de bedoeling in Den Haag: de kritiek slikken, een streep onder de gevoeligheden zetten en de blik op de toekomst richten. Stilzwijgend werd zo'n opstelling ook verwacht van Paramaribo.

Helaas.

De Surinaamse president Ronald Venetiaan besloot om het oude moederland toch nog publiekelijk de oren te wassen. Het staatshoofd herhaalde een eerdere uitspraak dat Nederland Surinames ontwikkeling had ,,gesaboteerd'', sprak denigrerend over de studie en onderstreepte dat zijn land ,,geen schuld op zich zal nemen''.

Een betere illustratie van de conclusies uit het rapport had niet gegeven kunnen worden.

Enkele weken later ligt `Een belaste relatie' op het bureau van Deryck Ferrier. Hij was een van de deskundigen, diplomaten en politici die voor de studie ondervraagd werden. Hij slaat met zijn vlakke hand op de groene kaft. ,,We moeten hiermee ophouden'', zegt hij. ,,Elkaar schuld geven heeft geen zin.'' Suriname, zegt hij, die vreemde mix van Caraïben en Amazone-Zuid-Amerika, moet niet meer automatisch de blik naar Nederland richten. Moet zich concentreren op haar natuurlijke omgeving, vooral Brazilië. Moet actiever meegaan in de ontwikkelingen rond de moderne technologie. En moet haar huidige generatie van ,,politici van oude bokken'' aan de kant zetten. In Nederland, weet hij, sterft een generatie politici uit die Suriname per definitie een warm hart toedraagt. Men kan daar wel eens genoeg krijgen van Surinamers die Nederland steeds maar een morele verantwoordelijkheid vanuit het koloniaal verleden aansmeren. Bovendien: de Nederlandse belangen bevinden zich niet in Suriname. Die liggen in de naar het oosten uitbreidende EU. In de ontwikkeling van China.

Niet dat Nederland zomaar haar verantwoordelijkheid voor Suriname aan de kant kan zetten, vindt Ferrier. Het zou bijvoorbeeld goed zijn als openlijk zou worden toegeven dat Den Haag in 1980 fout zat toen de coup oogluikend werd toegestaan. Maar vanuit Surinaams oogpunt is het toch het beste om pragmatisch te denken.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de honderden Nederlandse stagiairs die in Paramaribo rondlopen. ,,In de ziekenhuizen, de scholen, het bedrijfsleven. Jongens en meisjes die liefde voor ons land ontwikkelen. Dat is een groeiende potentiële lobby!'' En er is nog een groep die we ,,erbij moeten halen'': de bijna 300.000 Surinaamse Nederlanders. ,,Maar als we het land laten in de staat waarin het zich nu bevindt, keert én Nederland zich van ons af, én komen die landgenoten nooit meer terug. Weg know how. Weg ambitie. Weg goede bedoelingen van `je eigen land komen opbouwen'. Daarom: laat het verleden even voor wat het is.''

Frans Bauer

Verwaarlozing. Mist van verwijt en rancune. Toch merkwaardig dat je daar in het normale leven nauwelijks iets van merkt. In Nederland zijn Surinamers geïntegreerd, Surinaamse vrouwen succesvol op de arbeidsmarkt. De Hindoestaanse roti-koning Roopram heeft goed lopende zaken in Rotterdam en Paramaribo, terwijl de Creoolse vrouwen in Suriname nog steeds niet zonder de uit Nederland geïmporteerde piccalilly kunnen als ingrediënt voor hun pom of pastei. Surinaamse instellingen kunnen het aanbod van Nederlandse stagairs nauwelijks aan. In boekenwinkel VACO gaan oude Story's en Libelles grif van de hand. En op de radiozenders in Paramaribo is Frans Bauers `Heb je even voor mij' een veel gedraaid nummer. Je zou zeggen: wat is er eigenlijk mis met die onderlinge relatie?

,,Kom, we gaan gezellig wat eten'', had Silvano Tjong Ahin, voorzitter van de gezaghebbende economenvereniging VES gezegd, toen hij de vraag hoorde. Hij had Chinees gehaald bij Chi Min aan de Cornelis Jong Bawstraat en stuurt nu zijn jeep behendig door de overvolle straten van Paramaribo. Ooit was hij directeur op het ministerie van Planning en Ontwikkeling en had hij dagelijks te maken met de ontwikkelingsrelatie van de twee landen. ,,Surinamers'', zo weet hij, ,,zullen altijd op Nederland gefocused blijven. Omdat hun familie daar woont. Maar vooral omdat het in hun mindset zit.''

Even later zijn we thuis. Hij stuurt de honden het terras op, scharrelt door de keuken, pakt borden en bestek voor de garnalen en de zoet-zure kip van Chi Min. Zijn oog valt op een pak Dreft-wasmiddel. Kort geleden had hij het daar met zijn vrouw over. Waarom bleef ze maar Dreft kopen, terwijl een Amerikaans merk net zo goed en bovendien goedkoper was? Het was onbespreekbaar: `Dreft is uit Holland', zei zijn vrouw.

Ja, had hij gevraagd, maar is het ook beter?

`Het is uit Holland, basta.'

,,Geloof me'', lacht Tjong Ahin, ,,Je krijgt het er niet uit. En ach, waarom zouden we ook? Als de mensen Dreft willen kopen, láát ze. Als ze Frans Bauer willen horen, prima. Maar toch, je alléén op Nederland blijven richten, zal niet goed uitpakken voor Suriname.'' Een combinatie moet volgens hem mogelijk zijn. ,,Je kan best een emotionele band onderhouden en tegelijk je toekomst elders uitstippelen.''

Tjong Ahin, al weer enkele jaren werkzaam bij de Inter American Development Bank (IDB), is het eens met Ferrier. Ook hij voorziet een generatie Nederlandse beleidsmakers ,,die Suriname niet anders beschouwt dan Zimbabwe''. En ook hij roept om ,,nieuwe Surinaamse politici die Nederland niet als referentiekader nodig hebben om tegenaan te schoppen''. Dat resulteert dan hopelijk ook in een minder grote afhankelijkheid van Nederlands ontwikkelingsgeld. Het gesteggel over de besteding van de hulp (,,een onderhandelingscultuur met een bitterzoete toonzetting'', noemt het rapport `Een belaste relatie' dat) kost volgens Tjong Ahin alleen maar energie en tijd. Hij pleit voor een zakelijke relatie met Nederland en voor het aanboren van meer financieringsbronnen en donoren: ,,Niet alleen maar de blik op Den Haag en de rug naar de wereld.''

Cliëntelisme

Twee dagen later. Op bezoek bij de stichting Projekta, een van de plaatselijke niet-gouvernementele organisaties (NGO's), die zich vooral bezighoudt met projecten voor vrouwen en bewustwordingsprogramma's. Projekta wordt, via Cordaid, onder meer met Nederlands ontwikkelingsgeld gefinancierd. Door het kantoortje van Projekta waait een warme tropenwind. Aan tafel zitten een paar medewerksters. Hier hoor je de ervaringen met ontwikkelingshulp in een land dat, volgens `Een belaste relatie' nog steeds een politieke cultuur kent die is ,,doortrokken van cliëntelisme en patronage''. Met andere woorden: áls er ontwikkelingsgeld los komt, strandt dat in typisch Surinaamse structuren.

Betty Cederboom vertelt wat haar zaterdag overkwam toen ze naar Powakka reed, een Indianendorp ten zuiden van Paramaribo. Sibi busi's (tropische regenbuien) hadden de weg bijna onbegaanbaar gemaakt. In Powakka wachtte nóg een teleurstelling. Maandenlang had Projekta trainingen gegeven om samen met de bewoners een ontwikkelingsvisie voor het dorp van de grond te tillen. Onderdeel was de brandstofvoorziening. In plaats van dat ieder voor zich in de stad olie ging halen, ontwikkelde Projekta een gezamenlijk efficiënt distributiesysteem. Maar deze zaterdag bleek dat de regering tot aan de verkiezingen van mei volgend jaar olie aan het dorp zou leveren. De geste was dankbaar door de dorpsbewoners aanvaard; het Projekta-plan was in één klap in duigen gevallen. ,,Waarom zouden we extra moeite doen als de olie hier afgeleverd wordt'', hadden de bewoners aan Betty Cederboom gevraagd.

Projekta-directrice Sharda Ganga, een jonge Hindoestaanse vrouw, schatert het uit. Dat is de beste manier, zal ze later vertellen: ,,Je met humor door het bureaucratische ontwikkelingsoerwoud ploegen.''

Het Powakka-voorbeeld geeft aan hoe moeizaam het soms werken is met de Surinaamse overheid. Politieke partijen zijn er niet wars van de achterban te `kopen' met douceurtjes. In vergelijking daarmee is de Nederlandse bureaucratie weer heel wat anders. Maar daarvan heeft Ganga ook wel een voorbeeld. Uit haar bureau haalt ze een voorstel voor een trainingsproject, gericht op het blootleggen van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in het onderwijs, meer dan een jaar geleden ingediend bij de ambassade. Er is gebeld. Er zijn bezoeken afgelegd. Er zijn vele gesprekken gevoerd. Wat vond men ervan? Een goed project. Maar voor de te geven cursussen moest Projekta mensen van buiten inhuren. Nederland was namelijk bang dat er anders geld aan de strijkstok zou blijven hangen. Ganga: ,,Ik zeg tegen ze: maar wij zijn de specialisten op dit gebied. De mensen die die trainingen het beste kunnen geven, werken hier op kantoor. Ik ga toch geen project aanvragen waar ik geen expertise voor heb? Maar ja, dat zijn de regeltjes, in Holland bedachte contradicties. Wat moet ik daar nu mee?''

Ze heeft nóg een frustratie. Hap-snap ontwikkelingshulp. Geld niet besteden aan een duurzaam plan, maar aan losse projecten die daarna door laksheid van de Surinaamse overheid in het slop raken. Zo financierde Nederland de restauratie van het presidentiële paleis aan het Onafhankelijkheidsplein. Het staat nu leeg. Er ging ontwikkelingsgeld naar de renovatie van het Cultureel Centrum. Nu ligt het plafond open en zijn de meeste stoelen kapot. In 1994 werd het jeugdopvanghuis voor meisjes Mi Abri door de toenmalige staatssecretaris Erica Terpstra feestelijk omarmd. Het werd met Nederlands geld opgeknapt, daarna trokken er mensen uit het binnenland in. Jeugdige delinquente meisjes worden nu ondergebracht in het cellenhuis voor volwassenen bij het politiebureau Geyersvlijt.

Ganga zegt het eerlijk: na al deze ervaringen heeft ze steeds minder vertrouwen in overheden. Langs de private weg gaat het sneller. Al is ook daar nog veel verbetering mogelijk. Bijvoorbeeld een strengere controle van NGO's door donoren: ,,On the spot kijken of wij doen waar we ons geld voor krijgen. Niet eens in de drie jaar een effectrapportage maken, maar per project. Praat met de doelgroepen die de hulp ontvangen. Kom uit je gebouwen en ga het veld in. Vraag de mensen in Powakka: hoe pakte het uit?''

Werkt Nederlandse hulp aan Suriname nooit? Natuurlijk wel. Onlangs doneerde de Amsterdamse brandweer nog een auto aan het korps van Paramaribo, meteen klaar voor gebruik. En natuurlijk doen ook NGO's concreet werk. Maar dat is wat anders dan een samenhangend ontwikkelingsbeleid. `Een belaste relatie' constateert dat de honderden miljoenen euro's hulp sinds 1975 ten prooi gevallen zijn aan ,,een ondoelmatig gebleken ontwikkelingsstrategie'' en dat de resultaten ,,teleurstellend'' of ,,moeilijk meetbaar'' waren.

Verstikkend

Hoe moet het verder met de resterende 140 miljoen euro in de pot van 1975?

Het is opvallend dat je altijd weer de bekende begrippen hoort. Praktischer. Pragmatischer. Minder emotioneel besmet. ,,Maar daarmee kom je er niet'', weet Jack Menke, socioloog aan de Anton de Kom-universiteit en vooraanstaand politiek onderzoeker. Ook hij vindt dat de verhouding met Nederland ,,minder dwingend'' moet omdat ze ,,verstikkend'' werkt. Maar, zegt Menke, Suriname zelf moet een concept ontwikkelen hoe ze verder wil. ,,Als we onze productiviteit willen verhogen, gaan we dat dan alleen maar via de bauxietexport doen of ook op een andere manier? Gaan we een handelsfunctie in de regio vervullen? Hoe sluiten we aan op de moderne technologische ontwikkeling? Hoe moderniseren we ons bestuur? Dat moet Nederland niet voor ons ontdekken, dat moeten we zelf doen.'' Maar is de huidige generatie machthebbers daar toe in staat? Menke, somber: ,,Ik heb ze er nog niet op kunnen betrappen.''

En de oppositie?

We zijn op bezoek in de Nationale Assemblee. Niet bij politici van de regerende Nieuw Front-coalitie, maar bij het grootste oppositieblok, de Millenium Combinatie (MC), waarin Desi Bouterse's NDP de belangrijkste partij is. Wat kan de Nederlands-Surinaamse relatie daarvan verwachten? In de parlementsgebouwen aan de Surinamerivier ontmoeten we Jenny Geerlings-Simons, fractievoorzitter van de MC. Dermatoloog, gerespecteerd door vriend en vijand en voorzien van een scherpe tong. Geerlings-Simons is ervan overtuigd dat Suriname alleen maar verder kan als er een ,,gelijkwaardige dialoog'' met Nederland komt. De banden wil ze niet verbreken, al was het vanwege de honderdduizenden aan de overkant van de oceaan. Bovendien: ,,Mijn voorouders hebben net zo hard gewerkt om Nederland te maken tot wat het is als de mensen in Drenthe of Twente.'' En dus zal die band altijd bestaan, weet Geerlings-Simons. Maar Suriname kan alleen vooruit, zo vindt ook zij, als ,,de manier waarop we naar onszelf kijken fundamenteel verandert: zakelijker naar de ex-kolonisator, maar ook naar onszelf als ex-gekoloniseerden.'' Dat betekent, zo erkent ze, dat er in Suriname een openener bestuursstijl moet komen, een beter functionerend parlement en meer aandacht voor de regio. Wat voor rol gaat haar partijvoorzitter, Desi Bouterse, daarin spelen als de NDP in mei volgend jaar een goed verkiezingsresultaat behaalt? Eigenlijk wil ze niets zeggen over dit ,,typisch Nederlandse non-issue''. Maar: ,,Wij slapen in ons bed zoals dat gespreid wordt. Iedereen, ook Nederland, moet werken met wat het Surinaamse volk kiest.''

Wat zijn de perspectieven voor de toekomst? Het rapport `Een belaste relatie' beveelt in ieder geval aan om de onderlinge relaties te ,,verzakelijken'', het ,,huiswerk beter te doen'' en ,,duidelijke kwaliteitseisen te stellen''. Maar definitieve stappen moeten worden gezet door de politiek. Misschien, zo wordt wel eens geopperd, is het heilzaam als de beide overheden een tijdje afscheid van elkaar nemen. Het overgebleven ontwikkelingsgeld wordt via internationale organisaties verstrekt, zodat er officieel meer afstand ontstaat. De warme banden worden onderhouden door familie, vrienden, toeristen, de particuliere sector en de stagairs. Dreft-waspoeder blijft in de schappen, Frans Bauer blijft in Paramaribo op de radio te horen. Meer dan dat moet het misschien voorlopig niet zijn? Sharda Ganga: ,,We zijn al bijna 29 jaar bezig dat huwelijk te definiëren. Ieder normaal stel had toch al lang echtscheiding aangevraagd? Het spijt me, maar een LAT-relatie lijkt me het hoogst haalbare.''

Vierde reportage uit Suriname. De ander drie zijn te lezen via www.nrc.nl

Wij Surinamers richten te veel de blik op Den Haag en de rug naar de wereld

Nederland betaalt voor losse projecten die door laksheid van Suriname in het slop raken