Minder frisdrank helpt overgewicht kinderen tegen te gaan

Het drinken van koolzuurbruisende frisdranken speelt een meetbare rol bij het ontstaan van overgewicht bij kinderen. Een onderzoek onder enkele honderden schoolkinderen in Christchurch in het zuiden van Engeland wijst uit dat een bescheiden afname van de consumptie al leidt tot een stabilisatie van het aantal kinderen met overgewicht. Kinderen die niet tot zo'n beperking waren aangezet werden gemiddeld zwaarder (British Medical Journal, 23 april).

Overgewicht bij kinderen komt steeds vaker voor. In 1980 was ongeveer tien procent van de kinderen te dik, maar dat percentage is inmiddels meer dan verdubbeld. Kinderartsen spreken van een epidemie. Als dikke kinderen dikke grote mensen worden, is voorspelbaar dat ze grote problemen met hun gezondheid zullen krijgen. Er zijn nu al mensen die eerder ouderdomsdiabetes dan stemrecht hebben. Ter relativering moet wel bedacht worden dat kinderen letterlijk en figuurlijk in de groei zijn. Ook mollige kinderen kunnen uiteindelijk een zo goed als normaal postuur ontwikkelen.

Over de oorzaken van de overgewichtepidemie onder kinderen is veel te doen. Sommige factoren hebben ouders gewoon niet in de hand. Erfelijke factoren of invloeden tijdens de zwangerschap spelen zeker een rol. Andere zijn echter heel goed te beïnvloeden, zoals de tijd die hun kinderen besteden aan zwemmen, voetballen, fietsen, televisiekijken en computerspelletjes. En uiteraard de hoeveelheden snoep, chips en frisdrank die zij daarbij innemen.

Het laatste aspect de frisdrank is door de Britse onderzoekers onder de loep genomen. In het schooljaar 2001-2002 kregen vijftien klassen van zes basisscholen in Christchurch les van diabetesverpleegkundige Janet James, de eerste auteur van het artikel. Deze klassen vormden de interventiegroep. De lessen waren er primair op gericht om het gebruik van frisdranken te ontmoedigen maar gingen ook over het belang van gezonde voeding, lichaamsbeweging en de kans op cariës. Veertien klassen uit dezelfde scholen kregen de lessen niet en fungeerden als controlegroep. De kinderen uit beide groepen hielden tijdens het schooljaar in een dagboekje bij hoeveel frisdrank ze dronken. In de interventiegroep nam de consumptie van frisdrank licht af: gemiddeld met ongeveer 50 milliliter (minder dan een half standaardglas) per dag. Het gebruik in de controlegroep nam in die periode marginaal toe. In beide groepen gaven de kinderen aan wel meer water de drinken. Bij deze geringe verschillen is het frappant dat het aantal te dikke kinderen in de controlegroep aan het eind van het schooljaar met ruim 7,5 procent was toegenomen, terwijl dit aantal in de interventiegroep nagenoeg gelijk was gebleven. Uiteraard is niet zeker of deze resultaten helemaal zijn toe te schrijven aan het meer of minder drinken van frisdrank, maar de verschillen springen niettemin in het oog. Blijkbaar helpt het om via gerichte lessen op basisscholen dit probleem aan te pakken.