Labiele ouders

Daar waar de jeugdhulpverlening niet wordt gecontroleerd door een gezinsvoogd of kinderrechter (Z, 17 april), kunnen deze zorginstanties hun eigen formalistische wegen blijven bewandelen. Tot in het absurde. Zoals in het geval van een vader die labiel is, drugs gebruikt, schulden heeft, niet aan afspraken is te binden en elke dag extreem verbaal geweld gebruikt.

Vader en kinderen (die in een duidelijke afhankelijkheidssituatie zitten) zijn de enige bron van informatie voor de hulpverleners. Het Bureau Jeugdzorg laat na contact te leggen met de scholen van beide kinderen (er zijn al jaren problemen), de leerplichtambtenaar (er is veel verzuim) of bijvoorbeeld de politie (de oudste, net zestien, is al diverse malen aangehouden, de laatste keer vanwege inbraak, joy riding en bezit van hard drugs). Daardoor komen al deze instellingen niet te weten dat de problemen veel breder zijn, al veel langer spelen en hun wortels hebben in ernstige problemen thuis.

Een schriftelijke melding van verwaarlozing door zeer ongeruste betrokkenen wenst Bureau Jeugdzorg pas te lezen als eerst de vader een afschrift krijgt. Dat is zoiets als pas aangifte mogen doen van een ernstig misdrijf na overleg met de crimineel! Het pakt ook volstrekt verkeerd uit: de vader besluit de brief voor te lezen aan de kinderen, die daardoor ook nog eens het vertrouwen verliezen in de ondertekenaars, de laatste volwassenen aan wie ze zich nog hechten.

Het is slechts aan de veertienjarige dochter te danken dat er nu toch een doorbraak is gekomen. Na een crisisinterventie weigert zij nog terug te gaan naar de vader. Nadat alle omstanders vaststellen hier niets meer in kunnen te betekenen om de eenvoudige redenen dat de situatie veel te lang heeft voortbestaan en de problemen van de kinderen inmiddels van dien aard zijn dat elke niet-professionele oplossing volstrekt onverantwoord zou zijn, wil Bureau Jeugdzorg dan toch met veel tegenzin ingrijpen: vijf jaar en acht maanden na de eerste melding! Maar zelfs nu legt de instelling een groot deel van de verantwoordelijkheid voor het starten van de professionele opvang bij de vader. En ook dat gaat dus meteen weer mis.

Het resultaat van die langdurige afwachtende houding: twee kinderen die twee, respectievelijk drie jaar in instellingen zullen moeten wonen en van wie we maar moeten hopen en bidden dat het nog goed komt. Het angstvallig aan de wet vasthouden en dus in dit geval het oordeel van de vader boven alles stellen, resulteert erin dat de jeugdzorginstellingen juist hun primaire taak niet meer uitoefenen: kinderen beschermen.