Knettergestoord zonder zeemanshuis

De subsidie voor zeemanshuizen in Amsterdam en Rotterdam gaat verdwijnen. Honderden zeelui uit arme landen brengen regelmatig een bezoek aan de zeemanshuizen.

Anderhalf uur had hij op goed geluk gelopen, in een poging om vanuit de Amsterdamse haven het centrum van de stad te bereiken. Uiteindelijk was Hiero (49), de kleine kok met zwart haar van de Beza, zonder resultaat teruggekeerd naar zijn schip. De stad bleek te voet onbereikbaar.

Zeemanspastor Leon Rasser heeft zich net bij de kapitein van de Beza aangemeld en is vervolgens via een nauwe trap afgedaald in de buik van het schip. In de kombuis doet Hiero, een kleine, gedrongen man met zwart haar, tegen hem zijn verhaal. Een tatoeage van een groot, groenblauw schip op een anker, omgeven door bloemen, beslaat zijn rechterarm. Aan het plafond hangen stukken vlees. In houten kistjes naast het fornuis ligt fruit weg te schimmelen. ,,Bel nou volgende keer, dan halen we je gratis naar het zeemanshuis'', houdt Rasser de kok voor.

Bijna elke middelgrote haven heeft een zeemanshuis. Bekend bij zeelui, maar nauwelijks bij mensen buiten de wereld van de zeevaart. Dichtbij de schepen en ver van de stadscentra kan de bemanning van een schip in een zeemanshuis haar spaarzame vrije tijd doorbrengen. Zowel in Amsterdam als in Rotterdam is door het wegvallen van subsidie het voortbestaan van de zeemanshuizen in gevaar.

In het Seaman's centre in Amsterdam werken zes mensen die betaald worden door de Stichting Zeemanswelvaren Amsterdam. Jaarlijks ontvangen ze honderden zeelui uit arme landen. Geld om hun tijd in de stad te spenderen hebben de zeelui vaak niet, maar aan boord blijven, willen ze ook niet. Zeven dagen per week, vanaf vier uur 's middags tot een uur of elf kunnen zeelui hier biljarten, telefoneren of internetten. Desgewenst regelt de stichting een dominee, priester, boeddhistische monnik of imam.

De centra draaien al decennialang vooral op subsidie van rijk en gemeente. Maar het einde lijkt in zicht te komen, want vanaf januari volgend jaar moeten ze zichzelf bedruipen. Het zeemanshuis in Amsterdam loopt dan 91.000 euro mis. Rassers baan staat niet op de tocht, omdat hij door kerken betaald wordt, maar sluiting van het centrum is onvermijdelijk als de subsidie wegvalt, zegt de zeemanspastor. ,,Het is natuurlijk een makkelijke beslissing. Die zeelui zijn niet van hier en hebben toch geen stemrecht.'' Met het verdwijnen van het zeemanshuis vreest Rasser veel minder met de zeelui in contact te komen en hij heeft dan geen plek meer om ze naar toe te sturen.

Elke dag bezoekt de pastor in de haven schepen die net gearriveerd zijn. Op internet zoekt hij ze op. Hij drinkt koffie met de bemanning, rookt een sigaret en praat over het werk op een schip. Degenen die iets ,,van zich af willen praten'', pikt hij er zo uit. ,,Zo iemand blijft altijd wat langer hangen'', zegt hij. Anderen geeft hij alleen een folder over het Seamen's centre of verkoopt hij een telefoonkaart waarmee ze goedkoop naar het buitenland kunnen bellen.

Af en toe krijgt hij bizarre verhalen te horen. Zoals die keer dat een matroos van de Filippijnen bij hem kwam omdat hij last van zijn geweten had. Hij was al tijden van huis en had vernomen dat zijn vrouw een ander had. In een opwelling huurde hij telefonisch een ,,doodseskader'' in om de minnaar tijdens de chaos van de nieuwjaarsviering om zeep te helpen. Bij het naderen van de moorddatum kreeg de man spijt en biechtte het plan op aan Rasser. Hoe het afgelopen is, weet de zeemanspastor niet, de meeste matrozen ziet hij maar één keer.

De geschiedenis van het zeemanshuis in Amsterdam gaat ruim honderd jaar terug. In die jaren is het vaak verhuisd, naarmate de haven verder buiten het centrum raakte. Zo was er ooit een zeemanshuis aan het Kadijksplein, vlakbij het huidige Scheepvaartmuseum. Het huidige gebouw aan de Radarweg in de Westhaven ligt er sinds 1995, met uitzicht op het vasteland.

Achter de bar staat Alice Kamp. Al ruim acht jaar werkt ze hier. Het kan niet anders of die mannen worden ,,knettergestoord'' als ze altijd maar aan boord zijn, zegt ze. Ze schenkt bier, verkoopt souvenirs, sigaretten voor de oude prijs en basale levensmiddelen zoals scheerschuim, shampoo en gel. Een biertje kost 1,30 euro. Voor alles hanteert ze een gereduceerd tarief, want ,,het volk dat hier komt, heeft echt niks''. Zo hoort ze van Chinezen dat die slechts driehonderd dollar per maand verdienen. ,,Mesjokke. Die kunnen hier echt niet gaan stappen, hoor. En gaan ze toch de stad in dan worden ze natuurlijk uitgenomen.'' Als het moet deelt ze ook kleding uit aan zeelui.

Volgens Kamp maakt Amsterdam zichzelf ,,volslagen belachelijk'' zonder een zeemanshuis. Ruud Touwen van de internationale vakbond voor de zeelieden (ITF) wijst er op dat zelfs in landen als de Filippijnen met steun van de overheid zeemanshuizen worden opgezet. Hij begrijpt niet dat de overheid ,,de geldkraan'' dichtdraait.

Aan een van de kades in de haven ligt de Samos. Een donkerrood schip van bijna driehonderd meter lang. Met behulp van drie stalen trappen bereikt pastor Rasser een metalen loopbrug die bijna vijftig meter boven de grond zweeft en naar het dek van het schip leidt. Een weeïge lucht stijgt op uit de laadruimen. Sojameel, verklaart Rasser. Op het dek controleren twee mannen met dikke jassen en plastic helmen iedere bezoeker. Antiterrorisme regels, legt de Oekraïense bemanning uit. Na kort beraad via de portofoon moet Rasser weer vertrekken. De kapitein wil geen vreemden aan boord. Voor hij de loopbrug weer opstapt drukt Rasser een van de mannen nog gauw een folder van het Seamen's centre in de handen.

's Avonds blijkt een van de Oekraïense matrozen daadwerkelijk de weg naar het Seamen's centre te hebben gevonden. Hij heet Borys Tsurkan (47) en is tweede officier op de Samos. Hij wilde wel naar de stad, maar ,,heeft geen keus''. ,,Alles is duur in Europa'', verzucht hij. Achter hem staan zes Filippijnse matrozen over de pooltafel gebogen. Naar Oekraïense maatstaven verdient Tsurkan veel geld, dat dan ook bijna allemaal die kant op gaat. Zelf zal hij pas in oktober weer terugkeren.

Achter een biertje mijmert hij over het oude Rusland, toen alles veel beter was. ,,Onder het communisme hadden mensen nog fatsoen en werkte iedereen. Nu is er geen werk en gebruiken ze drugs.'' Wat ze ook beweren in het Westen, Stalin was een goede vent, zegt hij, en leegt in één teug z'n glas. Over zes maanden loopt zijn contract af. Op internet – in het zeemanshuis – kijkt hij daarom naar een nieuwe baan. Wel een als zeeman, want in zijn eigen land gaat hij door voor een rijk man. Aan het einde van de avond brengt het busje van het zeemanshuis hem gratis terug naar zijn schip.