Gedweep met de Verlichting slaat nieuw-rechts met blindheid

Het beroep van nieuw-rechts op de Verlichting ter legitimering van een enghartige, vaak xenofobe eigenwaan is een gotspe. Voltaire zou deze zelfbenoemde erfgenamen van zijn werk aan zijn scherpst gepunte ganzenveer geregen hebben.

Over de Verlichting, de eeuw van de rede, werd tot voor kort geschreven door filosofen en essayisten. In de krant kwam je het woord niet tegen. Dat is nu wel even anders. Met grote regelmaat duikt het woord op in de teksten van nieuw-rechtse politici en hun geestverwante commentatoren, niet zelden mensen voor wie volkswijsheid het alfa en omega van alle wijsheid is en die je er dus niet gauw van zou verdenken dat ze weinig toeschietelijke, om niet te zeggen elitaire denkers als Voltaire of Kant op hun nachtkastje hebben liggen. En vreemd genoeg fungeert het woord daar niet om alle vrijgevochtenheden, waar het van oudsher voor staat, te verketteren, maar integendeel, bijna als geopenbaarde waarheid. Als dat getuigt van de triomf van de Verlichting, dan toch van een zeer merkwaardige triomf.

Was de Verlichting niet bij uitstek een progressieve beweging, gericht tegen de machtsverstrengeling van kerk en staat? Wilde de Verlichting niet de emancipatie van het in armoede en geestelijke duisternis kort gehouden volk? Waren het niet de philosophes die de geesten van het volk rijp maakten voor de bestorming van de Parijse staatsgevangenis, de Bastille, het gehate symbool van dat repressieve ancien régime? En waren het niet, een eeuw later, Marx en Freud, die als revolutionaire erfgenamen van de Verlichting de mensheid wilden bevrijden uit de duistere wurggreep van het kapitaal en het onbewuste?

Ja, de Verlichting was een zaak van links, zoveel is zeker. Rechtse denkers waren altijd ondubbelzinnige tegenstanders van de Verlichting, of het nu ging om nostalgische romantici uit de negentiende eeuw die de afschaffing van slavernij en doodstraf als een vloek in het streng gereformeerde gezicht van God zagen, of antiwesterse filosofen uit de twintigste eeuw die de alliantie van voortschrijdende techniek en democratie als voortekenen van een definitieve ondergang van het Avondland duidden. Dus dringt de vraag zich op wat dat nieuw-rechtse gedweep met de Verlichting te betekenen heeft. Gaat het om een verbluffend nieuwe interpretatie van misschien het belangrijkste Westerse gedachtegoed of is er sprake van bluf ten aanzien van een traditie die niet wordt gekend? Wat in de nieuw-rechtse heiligverklaring van de Verlichting allereerst opvalt, is een niet geringe lichtzinnigheid: verwijzingen worden zelden of nooit gespecificeerd, titels van boeken of namen van auteurs van `de' Verlichting ontbreken in het notenapparaat even opzichtig als min of meer uitgewerkte en in hun context geduide opvattingen of theorieën waar men zich op beroept. Die verwijzingen hebben, met andere woorden, een sterk ritueel karakter, alsof iedereen wel weet wat dat is, `de' Verlichting. Maar juist dat generaliserende gebruik roept de verdenking op dat de gebruikers zelf niet weten waar ze het over hebben.

De suggestie als zou het gaan om zoiets als een politieke partij met een eenduidig beginselprogramma, is geheel in strijd met de historische waarheid. De Verlichting is geen afgebakend tijdperk en heeft verschillende ontwikkelingsfasen in verschillende landen. De nieuwe denkbeelden sloegen lang niet overal aan en de censuur was in het ene land meedogenlozer dan in het andere. Het maakt nogal een verschil of je het hebt over het betrekkelijk liberale en ontwikkelde Engeland van na de Glorious Revolution (1688) met zijn vrijheid van godsdienst en meningsuiting, of over de lappendeken van feodale Duitse vorstendommetjes waar elke liberale gedachte onmiddellijk werd gesmoord in een verstikkende onderdanenmentaliteit. Ook als je de aandacht richt op individuele denkers zijn de verschillen levensgroot. De rustige, systematische redeneerstijl van David Hume of Adam Smith heeft niets gemeen met de scherpzinnige spot van Diderot, die weer weinig gemeen heeft met de zeer serieuze toon van Rousseau, wiens theorieën tot op de dag van vandaag merkbaar invloed uitoefenen op filosofie, maatschappijtheorie en pedagogiek.

Belangrijker nog dan die verschillen is het besef dat de Verlichtingsdenkers geen politici waren maar – inderdaad – denkers: schrijvers, pamflettisten, essayisten, toneelmakers, journalisten, kortom intellectuelen in de meest ruime zin van het woord. Wel genoten speciaal de Franse philosophes de bescherming van min of meer verlichte vorsten (Friedrich II, Catharina de Grote), en natuurlijk waren zij ook noodgedwongen geïnteresseerd in politieke kwesties, maar – uitzonderingen als Turgot en Condorcet daargelaten – niet als makers of uitvoerders van beleid. Dat kan, met het oog op het gemak waarmee de Verlichting tegenwoordig gebruikt wordt ter legitimatie van politieke maatregelen, niet genoeg benadrukt worden.

Hun werk was bepaald niet populistisch, het was gericht op soortgenoten binnen de aristocratie en de ontwikkelde bovenlaag van de burgerij, het circuleerde in de betrekkelijk kleine kring van de salons en de verspreide intellectuele enclaves die samen de Geleerdenrepubliek vormden. Voltaire meende dat het volk zijn schaarse vrije tijd liever in de kroeg doorbracht dan achter de boeken. Pas in het laatste decennium voor de Revolutie richtten de tweederangs schrijvers uit de Parijse literaire onderwereld – `Rousseau's van de goot' noemt Darnton hen – zich nadrukkelijk tot het ontevreden en naar verandering snakkende volk.

Bovendien is een deel van de philosophes eerder literair dan filosofisch van verstrekkende betekenis. Voltaire en Diderot komen zelfs in de voetnoten van de moderne filosofie niet meer voor,

zeker niet in de academische. Maar voor nogal wat literaire schrijvers van de twintigste eeuw waren ze een inspirerend voorbeeld. Diderot is tot op grote hoogte zelfs een ontdekking van de twintigste eeuw. Hij mag gelden als de eerste moderne intellectueel. Niet langer in dienst van kerk of staat verkondigde hij zijn eeuwige waarheden en moest hij zijn kostje bij elkaar zien te scharrelen, als vertaler, privé-docent, pornograaf, kunstcriticus, toneelschrijver en vooral als uitgever en belangrijkste auteur van de Encyclopédie, hét literair-filosofische monument van de Verlichting. Die nieuwe, onzekere beroepspraktijk ging gepaard met de uitvinding van nieuwe, experimentele literaire vormen, in het bijzonder die van het losse, heterogene essay en het filosofische verhaal, beide vaak in dialoogvorm.

Voltaire betoonde zich in zijn contes philosophiques een messcherp criticus van eeuwenoude domheden en vooroordelen, maar altijd – en dat is zijn blijvende verdienste – in een geestige, intelligente vorm. Als één der eersten is hij erin geslaagd een kruistocht tegen het fanatisme te ontketenen zonder de grimmige, eenduidige toonsoort van dat fanatisme over te nemen. Hij is niet verlicht vanwege zijn strijd tegen de godsdienst, maar vanwege de middelen waarmee hij zich – als verhalenverteller, criticus van Pascal of vergelijkend godsdienstwetenschapper – op het slagveld van de godsdiensten waagde: hij was niet uit op de overwinning maar op een algehele ontwapening. Want waren niet alle mensen, ongeacht herkomst of religie, uiteindelijk `kinderen Gods'?

Het belang van deze essayisten is vooral dat ze een nieuwe taal, een nieuwe stijl van denken ontwikkeld hebben: ze hebben de filosofie geen nieuwe eeuwige waarheden of duizelingwekkende ideeëncomplexen geschonken, maar iets wat misschien wel veel belangrijker is: lichtheid, een relativerende houding en een gebrek aan eerbied voor het intimiderende aplomb van loodzware autoriteiten. In duizenden bladzijden flonkerend proza hebben Voltaire en Diderot, maar zij niet alleen, een einde gemaakt aan het massieve, uit autoritair-religieuze tradities stammende idee dat denken hetzelfde is als het `benoemen' van de dingen, zoals dat in de taal van nieuw-rechts tegenwoordig heet. Voor dat `benoemen' heb je zintuigen noch denkkracht nodig: de `naam' van de dingen is immers al bekend voordat de dingen zelf goed en wel bekeken zijn; voor wie `benoemt', kan het bijzondere nooit iets anders zijn dan een afgeleide van het algemene. Onthullender dan in die formule, meestal ook nog uitgesproken op de toon van de stoere taboeschender, kun je niet duidelijk maken dat je vooroordelen uitkraamt.

Wát aldus bij de naam wordt genoemd, is van de simpelste eenvoud: onze beschaving, die van het verlichte Westen, is superieur aan die van de anderen, speciaal die van de achterlijke islam. In die context komt de Verlichting steevast opdraven – als dooddoener. Want als `de Verlichting' al bestaat, dan in elk geval niet als tijdperk van demonstratieve zelfbejubeling maar van verregaande zelfkritiek, niet als grimmige dramaturgie van een multiculturele onverzoenlijkheid maar als hoffelijke ironie in dienst van de ontspanning. Het beroep op de Verlichting ter legitimering van een enghartige, vaak xenofobe eigenwaan is een gotspe – Voltaire zou deze zelfbenoemde erfgenamen van zijn werk aan zijn scherpst gepunte ganzenveer geregen hebben.

Men kan van de Verlichting niets begrijpen, als men haar niet ook ziet als reactie op het door godsdienstoorlogen verscheurde Europa. In tegenstelling tot de huidige opvattingen van nieuw-rechts bepleitten alle vroege denkers van de Verlichting (Montaigne, Bayle, Locke, Spinoza, Toland) tolerantie en een religieus pluralisme. Montesquieus roman Perzische brieven (1721) is het eerste literaire proza in Europa waarin wordt geëxperimenteerd met gewaagde cultuurrelativistische ideeën. Zijn hoofdpersoon Usbek, harembezitter uit Isfahan die na een verblijf van zeven jaar in Frankrijk zelfs de polygamie veroordeelt, is waarschijnlijk de eerste thuisloze uit de wereldliteratuur: vervreemd van het Oosten en een vreemdeling in het Westen.

Montesquieu werkte zijn ideeën verder uit in Over de geest der wetten (1748). Centraal staat het inzicht dat we andere culturen niet moeten meten aan onze eigen maatstaven, en ze dus veroordelen, maar dat we ze moeten proberen te begrijpen in de context van hun specifieke geografische, klimatologische en demografische omstandigheden. Montesquieu bepleit milde regeringsvormen en milde wetten, die altijd zo direct mogelijk moeten aansluiten bij de natuur en de gebruiken van een volk. Regeren door onderdanen angst in te boezemen is het principe van de despotie, een `monsterlijke staatsvorm', die hij niet alleen verwerpelijk vindt op humane, maar ook op puur rationele gronden: wie angst zaait, oogst onvrede, achterdocht en opstandigheid, en bewerkstelligt zo zijn eigen ondergang. Gebruiken en gewoonten moet men dus ook niet met geweld proberen te veranderen. Strenge wetgeving helpt niet en het effect van harde straffen is eerder averechts. Het enige wat helpt is een opvoeding die de `voordelen' van het gewenste gedrag demonstreert en voor anderen ervaarbaar maakt. Goede voorbeelden moeten de mensen ertoe verleiden zelf hun gewoonten te veranderen.

De Verlichting wordt vaak geassocieerd met de opkomst van de ratio en gezien als een beweging gericht tegen het religieuze denken. Maar hoe de philosophes de godsdienst en de daaruit voortkomende maatschappelijke dwang bekritiseerden, verschilt per denker. De scepticus Hume wilde `de Newton van de moraalfilosofie' worden, het succes van het empirisme in de natuurwetenschappen moest ook de menswetenschappen tot een nieuw, proefondervindelijk begin stimuleren. Dat leidde uiteraard tot kritiek op alle aspecten van de godsdienst die onverenigbaar zijn met rede en ervaring, of het nu gaat om het geloof in wonderen of om de angst voor het eeuwige hellevuur en andere middeleeuwse intimidatiepraktijken; in die zin is de Verlichting een voortzetting van de reformatie.

Vooral de Engelse auteurs waren erop uit The Reasonableness of Christianity (John Locke, 1694) aan te geven, Franse auteurs waren doorgaans feller en meer gericht op het maatschappelijk functioneren van de godsdienst. De kritiek van Voltaire en Diderot richtte zich op het christelijke beeld van de mens als een nietswaardig wezen, verblind, boosaardig en ongelukkig, ongeveer zoals Pascal hem afschilderde. Op de Franse preekstoel, streng gecontroleerd door de jezuïeten, werd dezelfde onheilstijding massaal verkondigd: de mens is een klein en verachtelijk wezen, en vooral: wee hem die denkt dat het anders is! Voltaire weerstaat dat dreigement. Hij neemt het op tegen de geïnstitutionaliseerde misantropie en `voor de mensheid'. De wereld is geen kerker en ook geen ,,oord van verrukking waar men alleen maar plezier beleeft''. Zijn favoriete wijsgeer is Confucius, zijn instelling praktisch en menslievend: het komt er op aan er het beste van te maken, en dat acht hij in overeenstemming met het oorspronkelijke christendom, dat ons niets anders leert ,,dan eenvoud, menselijkheid, naastenliefde''. Voltaire's `filosofie' had een pragmatische, therapeutische dimensie en kan worden beschouwd als een van de eerste en origineelste moderne belichamingen van de wereldverbeteraar in het klein, zonder illusies en zonder ideologie maar met een aanstekelijke levenslust.

De kritiek op de godsdienst bij Voltaire heeft een duidelijk theologische, of misschien liever een godsdiensthistorische component, maar Diderot richt zich directer op de repressieve en politieke kanten van de godsdienstige praktijk. De met de staatsmacht verstrengelde godsdienst onderdrukt en misvormt de menselijke natuur, ook en vooral in de gekoloniseerde gebieden overzee. In het exporteren van de christelijke beschaving ziet Diderot geen enkel heil. Met ongeëvenaarde scherpte richt hij zich tegen despotisme en slavernij en spreekt hij zich uit voor de opstand van de onderdrukten en de mensenrechten.

Het gedweep van nieuw-rechts met de Verlichting heeft de geboorte van een merkwaardig gedrocht opgeleverd, het woord Verlichtingsfundamentalisme. Dat is een gedrocht, omdat het een contradictio in terminis is: Verlichtingsdenkers richten zich immers tegen het geloof in fundamentele, alles bepalende, dus oncontroleerbare waarheden. Toch is het gebruik van het woord niet helemaal misplaatst: het verwijst naar de pogingen van staatshoofden en politici om Verlichtingsideeën met geweld op te leggen. Ook die pogingen hebben een respectabele traditie, ze gaan terug op de jacobijnse terreur en de Napoleontische oorlogen. Maar voor de gruwelen daarvan - in zijn Desastres de la Guerra heeft de Verlichtingssympathisant Goya die laatste met onvergankelijke weerzin vastgelegd - kan men de Verlichtingsdenkers evenmin verantwoordelijk stellen als men Jezus kan aanklagen als inspirator van de inquisitie. Verlichting en dwang zijn onverenigbaar, maar dat essentiële inzicht wordt door Verlichtingsfundamentalisten, ook die van het huidige nieuw-rechts, met voeten getreden.

Opmerkelijk is dat het woord Verlichtingsfundamentalisme speciaal bij linkse auteurs voorkomt, zoals bij John Gray, een van de belangrijkste critici van de neoliberale politiek gericht op het met machtsmiddelen bewerkstelligen van één wereldmarkt. Gray rekent iedereen tot de erfgenamen van de Verlichting die alle uiteenlopende tradities en culturen wil nivelleren ten gunste van één enkele wereldwijde beschaving die ,,haar fundament vindt in de rede''. Maar die redelijkheid is er in dit geval een van de meest beperkte soort, namelijk die van de zogenaamde vrije markt. Omdat de bevlogen uitvoerders van dat utopische project zich niets aantrekken van wat Montesquieu de esprit général van een land noemt, laat staan dat ze oog hebben voor de sociale en morele functies van de godsdienst, veroorzaken ze een ongekende maatschappelijke ontwrichting waarvan de gewelddadige, nu ook tegen de westerse missionaire weldoeners gerichte gevolgen overal zichtbaar beginnen te worden. Nieuw-rechts reageert daarop met een versteviging van de disciplinaire, repressieve en militaire functies van de staat, machtsmiddelen waar de Verlichtingsdenkers niets van moesten hebben.

Deze neoliberale grootheidswaan naar Amerikaans model heeft met enigerlei Verlichting in authentieke zin dus niets te maken. Ze put, als elke waan, uit de troebelste bronnen van zelfverblinding en maatschappelijke blindheid. Ze vernietigt vaak oeroude sociaal-culturele en ecologische weefsels, en maakt mensen op grote schaal en op de meest vernederende wijze afhankelijk van vreemde, duistere, `hogere' machten. De suggestie dat dit onder het goedkeurend oog van Spinoza en Locke, Montaigne en Diderot, Voltaire en Kant gebeurt, mag niet onweersproken blijven.

Is schrijver, essayist en literatuurcriticus. Hij publiceerde recentelijk `Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen' (2000) en 'Ver van huis' (2003).

    • Cyrille Offermans