Gedogen

Is het u ook opgevallen dat het woord 'gedogen' langzamerhand uit het Nederlandse vocabulaire aan het verdwijnen is? Net als poldermodel trouwens, een woord waar je nog maar kort geleden in elk essay over struikelde. Maar gedogen, dat was toch wel een heel speciaal woord. Het werd met vertedering of met nauw verholen ergernis uitgesproken. Door de vingers zien, oogluikend toelaten, de andere kant opkijken. Voorstanders van gedoogbeleid roemden het om het Hollandse pragmatisme, tegenstanders verketterden het om zijn hypocrisie.

Gedogen wordt meestal in verband gebracht met het drugsbeleid. Softdrugs gebruiken wordt in Nederland niet vervolgd, coffeeshops zijn toegestaan en aan lager wal geraakte heroïneverslaafden worden opgevangen, van schone spuiten en gratis methadon voorzien. Een net beleid.

Maar het woord bleek onvertaalbaar. Ministers en bestuurders kregen het zweet op het voorhoofd wanneer ze het in het buitenland moesten uitleggen. Ze incasseerden hoon en Frankrijk noemde ons een narcostaat. Maar ze oogstten ook bewondering en navolging, in Zwitserland bijvoorbeeld, en in sommige Duitse deelstaten.

Ouders van Amsterdamse middelbare scholieren vragen zich intussen af wat ze aanmoeten met hun blowende veertienjarigen die versuft in de schoolbanken zitten en ver beneden hun niveau presteren. (De Amsterdamse jeugd blowt aanzienlijk meer dan onze provincialen). Voor hen is er één geruststelling: Franse jongeren blowen veel meer dan Nederlandse. Wij zitten ergens in de middenmoot. Repressie haalt dus niets uit.

Maar is ons drugsbeleid nu goed of slecht? Rob Schoof sprak met zo ongeveer alle beleidsmakers die zich er de afgelopen dertig jaar mee hebben bemoeid. Dat levert een verhelderend beeld op: ons beleid spaart levens, maar bleek een vruchtbare voedingsbodem voor de georganiseerde misdaad. Die Amsterdamse ouder is daar intussen niet mee geholpen. Die moet zijn eigen drugsbeleid maar uitstippelen.