DE ACHTERDEUR VAN DE COFFEESHOP

Op 1 juli wordt Nederland voor een half jaar voorzitter van de Europese Unie.

Een van de agendapunten is een nieuwe Europese drugsstrategie. Pikant, want terwijl de Nederlanders nogal tevreden zijn over hun coffeeshops en hun spuitenruil, ziet het buitenland ons nog steeds als narcostaat.

Hoe goed is ons drugsbeleid?

Een rondgang langs kenners, en een aantal conclusies.

De gezondheidsrisico's zijn teruggedrongen. Maar de openstaande achterdeur van de coffeeshop heeft de georganiseerde criminaliteit een gouden kans gegeven.

Tien coffeeshops binnen nog geen honderd meter telt de Amsterdamse Warmoesstraat. Aangevuld met headshops en paddowinkels staat deze straat nagenoeg volledig in dienst van de drugseconomie waaraan Nederland zijn reputatie van 'narcostaat' te danken heeft. Op zaterdagavond puilen de coffeeshops uit, de voertalen zijn Engels, Italiaans en Duits. Toch vormen ze geen volledige vrijstaat. Conform het gedoogbeleid zijn alle zaken keurig voorzien van een gemeentelijke vergunning. Portiers houden toezicht op naleving van de regels. Drie toeristes, zichtbaar niet meerderjarig, worden meedogenloos geweigerd. Het stringente toegangsbeleid is absolute noodzaak voor elke coffeeshophouder. Coffeeshops zijn de meest gecontroleerde horecagelegenheden. Een speciaal politieteam controleert wekelijks zo'n tien zaken op leeftijd van de clientèle, handelswaar en eventuele aanwezigheid van harddrugs. Bij overtreding spijkert de gemeentelijke timmerman het pand dicht.

De coffeeshop trekt al jaren internationale aandacht. Neem de Franse ambassadeur die in 1997 ter voorbereiding van bezoek van zijn president in Amsterdam was. Hij wilde zien hoe het er in de praktijk aan toeging. Met twee dienders betrad hij een coffeeshop tegenover het hotel waar Chirac zou logeren, herinnert de Amsterdamse hoofdcommissaris Joop van Riessen zich. 'Na binnenkomst wilde hij zo'n zakje wiet kopen voor 25 gulden. Hij had alleen geen geld bij zich, dus trok één van de dienders zijn portemonnee. De ambassadeur was in geen velden of wegen meer te bekennen. Hij had kennelijk bewijs nodig voor Chirac. En wij werkten er nog aan mee ook! Zo bevestigen we in het buitenland voortdurend het beeld dat hier alles kan en mag.'

Het Colombia van Europa. Nederland is in het buitenland door politici en andere critici vaak bestempeld als vrijstaat voor drugsproducenten en -handelaren. Anderen bewonderen juist de pragmatische benadering. Hoe staat ons drugsbeleid er eigenlijk voor? Is het uit de hand gelopen of heeft het ook resultaten opgeleverd?

Schone naalden

Ook al had Nederland al in 1919 een Opiumwet, het moderne drugsbeleid dateert van de jaren '70, toen jongeren voor het eerst op ruimere schaal drugs gingen gebruiken. Het gebruik van hasj en marihuana had zich volgens Nicole Maalsté, onderzoeker van de cannabiswereld bij het Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen & Verslaving (ivo) in Rotterdam, na de Tweede Wereldoorlog via jazzmusici en Amerikaanse militairen over West-Europa verspreid, aanvankelijk in kunst- en muziekkringen. In de jaren '60 steeg het gebruik onder grotere groepen jongeren. Met zijn protestacties tegen de tabaksreclame bij het Lieverdje op het Spui trok antirookmagiër Robert-Jasper Grootveld in die tijd grote groepen jongeren naar Amsterdam, tot grote ergernis van de politie. Hasj en marihuana werden het symbool van de strijd tussen de jeugd en het gezag.

Maar over drugs was weinig bekend. Ook niet bij de politie, die aanvankelijk geen idee had waarnaar ze moesten zoeken. 'Er werd in die jaren ongelooflijk veel onzin verteld over drugs', zegt gepensioneerd hulpverlener en neurofysioloog Erik Fromberg. 'Je hoorde de directeur van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium vertellen dat je van één joint knettergek werd.'

Drugs werden een belangrijk onderwerp voor jongeren, politici, wetenschappers en hulpverleners. De grote vraag waar de autoriteiten mee worstelden was of drugsgebruik hard - strafrechtelijk - moest worden aangepakt, of dat de jeugd meer gebaat was bij een pragmatisch volksgezondheidsbeleid.

De overheid zette verschillende commissies aan het werk. Eén daarvan werd geleid door prof. Louk Hulsman, justitieadviseur en hoogleraar strafrecht in Rotterdam. Hij hield vanaf 1968 een vurig pleidooi voor decriminalisering van drugsgebruik. 'In Nederland werd er nauwelijks tegen opgetreden', zegt Hulsman, inmiddels met emeritaat. 'We wilden voorkomen dat er illegale markten zouden ontstaan. Prohibitie zou leiden tot bendes, Chicago, Al Capone, zoals was aangetoond tijdens de drooglegging in Amerika. In onze Opiumwet was de handel verboden, maar de straffen waren laag en er werd niet vervolgd.'

In 1965 werden in Nederland precies 38 mensen veroordeeld wegens drugsdelicten, maar dat aantal liep snel op. Volgens Hulsman had dat te maken met de strijd tussen de provo's en de politie. 'Voor de provo's was hennep een sacrament. Ze pestten de politie. Die was toen nog zeer autoritair, pikte dat niet en ging ineens de Opiumwet activeren.'

Maar eind jaren '60 werd duidelijk dat de autoriteiten weinig zagen in een confrontatie met hasjrokende jongeren. In Amsterdam mochten jongerencentra als Paradiso, Fantasio en de Melkweg hasj verkopen. 'Eerst gebeurde dat ongecontroleerd', zegt Wernard Bruining, die in 1973 de eerste Amsterdamse coffeeshop opende, Mellow Yellow, aan de Weesperzijde. 'Bij Paradiso stonden tien dealers op de trap en ook nog een rijtje buiten.' De gemeente besloot dat de centra één 'huisdealer' moesten aanwijzen. In 1970 bereikte de jeugd in Rotterdam een doorbraak. De politie besloot niet op te treden tijdens het grote popfestival in het Kralingse Bos, waar op grote schaal hasj werd gerookt. Politieagenten in burger zagen in dat zich geen ordeproblemen voordeden zolang er maar niet werd ingegrepen.

Drugs als ideologie

Na de commissie-Hulsman volgde in 1972 een rapport van een commissie onder leiding van Pieter Baan, geneeskundig hoofdinspecteur voor de geestelijke volksgezondheid. Die constateerde een 'forse toename van het gebruik van psychotrope stoffen' sinds 1950. Waar dat precies aan lag? Aan de gestegen welvaart, angst, onlustgevoelens en zorgen om de toekomst, vermoedde Baan. De jeugd wilde geen materialistisch leven in een 'gevoelsarme, prestatiegerichte maatschappij', maar een leven gebaseerd op creativiteit. Tot die ideologie hoorde behalve reizen en mediteren ook drugsgebruik. Baan en Hulsman zagen drugsgebruik als een gezondheidsprobleem dat in een criminele omgeving alleen maar erger zou worden.

De belangrijkste ministers voor het drugsbeleid, Dries van Agt (cda, Justitie) en Irene Vorrink (PvdA, Volksgezondheid) waren beiden hartstochtelijk voorstander van die decriminalisering. 'Ik was een adept van Hulsman', zegt Van Agt nu. In 1976, onder het kabinet-Den Uyl, werd de Opiumwet gewijzigd, met als voornaamste verandering een scheiding tussen softdrugs en harddrugs, drugs met een aanvaardbaar risico en drugs met onaanvaardbare risico's. Legalisering, zoals Van Agt had gewild, bleek onmogelijk, 'gelet op de relevante verdragen'. Dan maar in arren moede gedogen, zegt hij. 'Al raspt dat een ware minister van Justitie over de ziel.'

Nederland maakte gebruik van het opportuniteitsbeginsel, dat bepaalt dat justitie mag afzien van vervolging als dat in het algemeen belang is. Bezit en handel in gebruikershoeveelheden hasj werden gedoogd. 'De verandering in ons drugsbeleid vond in geen enkel relevant buitenland instemming', zegt Van Agt. 'Ik ben er menigmaal voor gekapitteld. Het werd vrijwel aanstonds duidelijk dat het nog geruime tijd zou duren voordat onze inzichten elders zouden worden gedeeld.'

Daarbij kon het buitenland verwijzen naar de internationale verdragen die Nederland in de loop der jaren had ondertekend, zoals het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (1961), het Psychotropenverdrag (1971) en later het Verdrag inzake sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (1988). Nog steeds krijgt Nederland regelmatig een veeg uit de pan van de International Narcotics Control Board (incb) wegens het softdrugsbeleid.

Beursberichten

Nederland was in de jaren '70 vertrouwd geraakt met de geur van hasj. Hoe openlijk het onderwerp op straat lag, bleek in het vara-radioprogramma In de Rooie Haan, waarin Koos Zwart, zoon van minister Vorrink, wekelijks de hasjprijzen voorlas, verpakt als beursberichten. De coffeeshops kwamen voort uit het monopolie dat jeugdcentra als de Melkweg en Paradiso hadden, zegt coffeeshoppionier Bruining. 'Er was weinig keus, het was duur en de kwaliteit matig.' Bruining begon in 1973 zijn 'theehuis'. Het werd een succes. 'Soms stond er buiten wel een rij van dertig meter.' De hasj haalden ze bij een dealer die Caesar heette, en soms bij drugshandelaar Klaas Bruinsma die in de Blasiusstraat kantoor hield. 'We kochten steeds een paar kilo', zegt Bruining. 'Die sneden we zelf aan stukjes. We verkochten voorverpakte hasj voor tien of vijfentwintig gulden. De dealer zat voor de bar, alsof hij een klant was, zodat de politie de shop niet kon sluiten als ze binnenvielen.' Soms was er een inval, maar Bruining had genoeg 'verdedigingslinies' om die te overleven. Het pand bevatte geheime deuren en een weggewerkte keuken waar genoeg voorraad lag om de zaak draaiend te houden.

Na Mellow Yellow volgden steeds meer coffeeshops, zoals The Bulldog en Rusland. 'Ze pakten het veel commerciëler aan. Ik was niet zo zakelijk', zegt Bruining, die zijn theehuis na enkele jaren vaarwel zegde. 'Op een gegeven moment kochten we partijen van honderd kilo. Wat we zelf niet nodig hadden, verkochten we door. We moesten steeds groter inkopen om de bevoorrading te garanderen. Daarbij kreeg je een betere prijs als je groter inkocht. Wat je te veel had, verkocht je door aan derden. Tot ik ontdekte dat we al enkele weken gemiddeld honderd kilo per dag doorverkochten. Toen heb ik er feitelijk een einde aan gemaakt. Ik wilde geen groothandelaar worden.'

Idealistische coffeeshophouders werden langzaam verdreven door commerciële handelaren die dankzij de komst van steeds meer buitenlanders een groeiende afzetmarkt zagen. De coffeeshops maakten in de jaren '80 reclame op trams en in reisbladen. Er werden steeds vaker 'kilootjes' verkocht, vooral aan Duitsers die het in eigen land verhandelden. Ook in grensgemeenten verschenen coffeeshops.

Diplomatiek conflict

Zo jubelend als veel buitenlandse toeristen door Amsterdam trokken, zo hard oordeelde de Europese politiek. Het waren juist dit soort uitwassen die Nederland een slechte naam gaven. Eerst de coffeeshops, later de ecstasyproductie, de hennepteelt en de cocaïnehandel. In de jaren '70 en '80 waren vooral Zweden en West-Duitsland kritisch, omdat Nederland het streven naar een drugsvrije samenleving had opgegeven. In 1994 ontstond er zelfs een diplomatiek conflict toen Frankrijk wegens het Nederlandse drugsbeleid weigerde de grenscontroles op te heffen, hoewel die door het Verdrag van Schengen waren afgeschaft.

Het dieptepunt voor Nederland was een rapport van de Franse senator Masson, die in 1996 schreef dat Europa het zich niet kon veroorloven een 'narcostaat' op haar grondgebied te dulden. Franse politici riepen zelfs op tot een boycot van Nederlandse producten. 'Chirac maakte er een nummer van in de media', zegt toenmalig minister van Justitie Winnie Sorgdrager. 'Hij sprak Kok er regelmatig op aan. Die was daar ongelukkig mee.' Sorgdrager zelf hield zich altijd bewust afzijdig. 'Ik legde ons drugsbeleid niet uit in eu-vergaderingen. Dat werkte alleen maar averechts.'

De Fransen bereikten wel dat het paarse kabinet van richting veranderde. Terwijl Nederland in de gedachte leefde dat de definitieve stap naar legalisering van softdrugs zou worden gemaakt, trok de overheid de regels juist aan. 'Er werd veel verwacht van paars, vooral door de progressieven', zegt Sorgdrager. 'Men dacht: nu gaat het gebeuren. Ik was destijds voor legalisering van softdrugs, maar internationaal kon het niet.'

Criminoloog Tim Boekhout van Solinge, nu werkzaam aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, studeerde aan de Sorbonne in Parijs. In opdracht van het Nederlandse ministerie van Volksgezondheid deed hij midden jaren '90 onderzoek naar het Franse drugsbeleid. 'Uit mijn onderzoek bleek dat 1,2 procent van de Franse cannabis uit Nederland kwam. Er was dus geen sprake van dat Frankrijk massaal werd bevoorraad door de coffeeshops.' Bovendien merkte hij dat Frankrijk een veel omvangrijkere drugscultuur heeft dan Nederland, vooral onder de jeugd. 'Er wordt meer geblowd, veel meer over gesproken. Het lijkt alsof blowen hoort bij de inwijding, bij de overgang van tiener naar volwassene, net als sigaretten, drank en seks.' Uit Frans onderzoek van 2002 bleek dat meer dan de helft van alle Franse 18-jarigen had geëxperimenteerd met cannabis. Ter vergelijking: het Trimbos Instituut voor geestelijke volksgezondheid schat dat in Nederland ongeveer 20 procent van de jongeren blowt.

Toch was de wereld rond de recreatieve hasjroker van 1970 twintig jaar later drastisch veranderd, merkte ook de Amsterdamse politie. Hoofdcommissaris Van Riessen zag 'grote ondernemingen met directeuren, onderdirecteuren en een infrastructuur voor liquidaties en bedreigingen' ontstaan. 'Die branche groeide als kool, omdat er zo ontzettend veel geld mee werd verdiend.' Begin jaren '80 was hem al duidelijk geworden dat er grote partijen softdrugs werden geïmporteerd. 'De recherche onderschepte containers vol softdrugs, maar gestraft werd er nauwelijks. Zelfs een container leverde hooguit een paar maanden cel op. Softdrugs had stomweg geen enkele prioriteit. De Nederlandse netwerken hebben van die coulantie dankbaar gebruikgemaakt. De Bruinsma's en andere Hollandse criminelen hebben er miljoenen mee verdiend. Het was een gat in de markt. Er zijn fantastische voorbeelden van Hollandse criminele groepen die containers hasj versleepten over de wereldzeeën. In het buitenland ontstond het beeld dat Nederland een bananenrepubliek was.'

Hoezeer de drugscriminaliteit uit de hand was gelopen, bleek tijdens de parlementaire enquête naar de opsporingsmethoden (1995), toen duidelijk werd dat het gedoogbeleid een ideale voedingsbodem had gevormd voor de georganiseerde misdaad. Onderzoeker C. Steinmetz becijferde dat jaar dat in de Nederlandse softdrugshandel zo'n 19 miljard gulden moest omgaan. Het cannabismilieu, ontstaan uit een mengsel van pragmatisme en ideologie, was verworden tot een keiharde wereld van commercie en liquidaties, zoals was gebleken bij de moord op Klaas Bruinsma in 1991.

'We hadden met de coffeeshops een ideologische achtergrond, maar het is gewoon keiharde criminaliteit geworden', stelt Winnie Sorgdrager vast. 'Er zijn gigantische financiële belangen mee gemoeid. Kijk hier in Amsterdam wat er gebeurt: op vijftig meter van mijn huis heb ik drie coffeeshops naast elkaar. Dat is uit de hand gelopen. Als je weet wat voor crimineel circuit daarachter zit. Dat wil je toch ook niet.'

Volgens Hedy d'Ancona, oud-senator, -europarlementariër en minister van Volksgezondheid (1989-1994), was op het toenmalige ministerie van WVC 'op dat moment ook niet bekend dat de softdrugsbranche zo aan het verharden was'. 'We waren veel meer bezig trots te zijn op het beleid dan dat we oog hadden voor de uitwassen die toen al ontstonden.'

Sorgdrager zegt dat er in de jaren '80 in opsporingskringen wel mensen hun zorgen uitten over de georganiseerde misdaad. 'Anderen bezwoeren dat het niet bestond, dat dergelijke verhalen bedoeld waren om meer geld voor politie te krijgen. En toen bevoeren wij al met onze hasjkotters de wereldzeeën. We blijven toch een soort voc. Aan het einde van de jaren '80 drong het besef door. Ik ben bang dat Amsterdam toch een redelijk aantrekkelijke vestigingsplaats is geworden voor de georganiseerde criminaliteit.'

Strakker beleid

In de loop van de jaren '90 werd het beleid strakker. Coffeeshops mochten niet meer dan een paar honderd gram hasj in huis hebben, geen reclame maken, maximaal vijf gram per klant verkopen. Panden die overlast veroorzaakten werden dichtgetimmerd. Mede daardoor daalde het aantal coffeeshops tussen 1997 en 2002 met een kwart, van 1.179 tot 782. Inmiddels heeft het kabinet-Balkenende ii opnieuw de knuppel in het hoenderhok gegooid door een onderzoek te gelasten naar de schadelijkheid van hasj en nederwiet. Als blijkt dat het thc-gehalte in nederwiet zo hoog is dat het schadelijk is voor de gezondheid, wil het kabinet deze 'softdrug' als harddrug gaan behandelen. En dus verbieden.

Ook Wernard Bruining maakte de kentering van nabij mee. In 1985 had hij de eerste growshop in Europa geopend, Positronics, waar hij plantjes, zaden, lampen en andere apparatuur verkocht. 'Ik begon met een paar plantjes, maar het werd steeds meer business', zegt hij. Er kwamen steeds meer mensen op af, steeds meer media-aandacht, cameraploegen uit heel Europa. 'Er kwamen van die patjepeeërs met gouden kettingen die korting wilden als ze honderd lampen kochten. Die stuurde ik weg.' Er kwamen glossy hennepmagazines. 'Het is heel kapitalistisch geworden. Er wordt veel meer nederwiet geproduceerd dan de coffeeshops nodig hebben. De rest is voor de export, ook omdat grootschalige kweek een kwaliteit oplevert die onvoldoende is voor de coffeeshops.'

Zo bezien creëerde het Nederlandse drugsbeleid een illegale markt waarmee miljoenenwinsten worden gemaakt. Hoeveel thuistelers Nederland telt is onbekend, maar feit is dat de politie dagelijks kwekerijen ontmantelt.

'Tot de jaren '90 waren de coffeeshops voor zo'n 80 procent afhankelijk van hasj uit Marokko', zegt Mario Lap, directeur van de stichting Drugtext, een internationaal informatiecentrum voor verdovende middelen. 'Tweederde van de softdrugs in de coffeeshops bestaat nu uit nederwiet.' Wel lijkt het erop dat de oorspronkelijke bedoeling van de coffeeshop, het scheiden van de markten voor softdrugs en harddrugs, geslaagd is. 'Dat er in coffeeshops altijd harddrugs aanwezig zijn, is een groot misverstand', zegt Wernard Bruining. 'Coffeeshopeigenaren zijn er als de dood voor, want harddrugs zijn voor de politie de beste reden om een tent dicht te gooien. Net als wapens. Coffeeshops zijn de meest veilige horecagelegenheden. Als iemand in een coffee- shop over harddrugs begint, wordt hij eruit gegooid.'

Inmiddels zijn volgens criminoloog Frank Bovenkerk van het Willem Pompe Instituut wel nieuwe criminele netwerken ontstaan rond de cannabismarkt. De georganiseerde misdaad heeft zich op de thuisteelt gestort. 'Veel bedreigender dan de handel is dat je in steden en woonwagenkampen godfathers hebt die de overheid buitenspel zetten, die overheidsfunctionarissen omkopen of bedreigen om ze buiten de wijk te houden.'

De grootste fout die de overheid volgens betrokkenen maakte was dat alleen de verkoop aan de voordeur van de coffeeshops werd gereguleerd. Hoe zij zelf aan hun hasj en wiet kwamen bleef onbesproken. Dat de georganiseerde criminaliteit zich op die markt stortte, is volgens onderzoeker Nicole Maalsté juist het gevolg van het ontbreken van die schakel. 'Het is een beetje vreemd om te zeggen dat het drugsbeleid niet heeft gewerkt. Het drugsbeleid houdt op bij de achterdeur van de coffeeshop. De overheid wil de bevoorrading niet regelen, dus kreeg je mensen die daar ingesprongen zijn. Daardoor is er een soort vrije markt voor hennepteelt ontstaan.' Winnie Sorgdrager: 'We konden de achterdeur niet regelen, dat was internationaal niet te verkopen', zegt ze. 'Wij hebben gezegd: laten we niet openlijk bediscussiëren wat de gemeenten zelf doen, want de Franse ambassadeur luistert mee.'

Dat probleem is nog steeds actueel. In 2000 nam de Kamer zelfs een motie aan waarin staat dat de toelevering van softdrugs moet worden gereguleerd, maar toenmalig minister Korthals (Justitie) voerde de motie niet uit, omdat Nederland binnen Europa niet te ver voor de muziek kon uitlopen. Dat had ook te maken met de intrede van een ander probleem, de opkomst van synthetische drugs.

Net als bij het begin van de hasjcultuur begon de jeugd ook daar met een strikt recreatieve pil, die bekend stond als love-drug. Al in 1985 waren synthetische drugs in zwang bij de therapeutische Bhagwan-gemeenschap in Egmond aan Zee, schreef Arno Adelaars in 1991 in het boek Ecstasy, de opkomst van een bewustzijnsveranderend middel. De tabletten werden vooral populair in de house- en ravecultuur. Maar de productie en de handel viel snel in handen van criminelen. Bovendien raakten de synthetische drugs in opspraak, doordat er naast tamelijk onschuldige pillen steeds vaker gevaarlijke tabletten te koop werden aangeboden. Er vielen dodelijke slachtoffers.

Harm reduction

Maar is dan alles voor niets geweest? De coffeeshops en de synthetische drugs mogen de internationale aandacht opslokken, het Nederlandse drugsbeleid is breder. De bedoeling was de relatief onschuldige softdrugsmarkt te scheiden van de harddrugsmarkt, om te voorkomen dat hasjrokers in aanraking kwamen met andere middelen. Sinds de jaren '70 bouwden hulpverleners aan een complete infra- structuur voor het harddrugscircuit, gebaseerd op harm reduction, het zoveel mogelijk beperken van de gezondheidsschade.

Een pionier was Erik Fromberg, die in 1975 in Amsterdam een opvangcentrum voor junks leidde voor wie afkicken 'volstrekt onhaalbaar' was. Hij was de eerste die junks schone naalden verstrekte. 'Ik zag al die junks met gore spuiten. Je zag de bacteriën eroverheen kruipen. Onze dokter deed niets anders dan abcessen behandelen. Ik dacht: als die mensen toch moeten spuiten, dan maar met schone spuiten.'

Fromberg kreeg veel kritiek, omdat hij junks in staat zou stellen drugs te gebruiken. 'In Amerika roepen ze nog steeds dat spuitomruil het verkeerde signaal geeft. Maar dat heb je daar nu ook, betaald door particulieren.'

Samen met Zwitserland introduceerde Nederland meer noviteiten. In de steden kwamen gebruikersruimten en methadonprogramma's voor heroïneverslaafden. Inmiddels wordt in allerlei landen geëxperimenteerd met de verstrekking van heroïne. Ook daar heeft de scepsis plaatsgemaakt voor pragmatisme.

Maar tegenstanders wijzen op het gevaar dat daarmee een hele groep verslaafden wordt opgegeven. 'Het zou het mooiste zijn als je verslaafden van hun verslaving zou afhelpen', zegt Wim van den Brink, hoogleraar verslaving aan de Universiteit van Amsterdam. Hij onderzocht voor het kabinet de effecten van heroïneverstrekking. 'Mensen vergeten dat de meeste dokters patiënten niet genezen, maar proberen de symptomen onder controle te krijgen.

Patiënten met diabetes of hoge bloeddruk worden ook niet genezen.'

Uit onderzoek is gebleken dat afkickbehandelingen niet bij iedereen werken. Van den Brink: 'Zo'n behandeling werkt maar voor 10 tot 15 procent van de verslaafden.' De overgrote meerderheid kan niet afkicken. 'Dan probeer je niet te genezen, maar te zorgen, bijvoorbeeld door methadonverstrekking.' Dan blijft nog zo'n 40 procent van de verslaafden over. 'Heroïneverstrekking is echt een laatste optie. Ik heb daar als dokter niet zoveel moeite mee.'

Willem Lugthart behoort tot die kleine groep verslaafden die wél kon afkicken. Hij was zelf jarenlang verslaafd. 'Ik heb alles gebruikt wat er te krijgen was: heroïne, cocaïne, speed, pillen, lsd, hasj, wiet en veel alcohol. Mijn hersenen zijn zo bestookt met troep dat ik volgens artsen niet meer normaal zou moeten kunnen denken. Het is een wonder dat ik nog leef.' Lugthart kwam als 16-jarige in contact met hasj. 'Ik was aan het puberen, boos op mijn ouders en iedereen. Eerst dronk ik met vrienden bier, af en toe rookten we een stickie. Binnen een jaar zat ik middenin de drugsscene. Het was een tijd van feesten, meiden, drank en drugs. We hadden plezier, we waren vrij van het gezag. Maar het werd steeds erger.' Hij kwam terecht in het Arnhemse Spijkerkwartier, waar hij een woest leven van drugsgebruik, stelen en dealen leidde. 'Ik leefde op straat, zat veel in de gevangenis.'

Lugthart zag zichzelf jaren later ergens in Wageningen in een spiegel met een spuit in zijn arm. 'Toen dacht ik: je kunt nu twee dingen doen: je gaat dood of je kiest voor het leven. Ik ben toen zelf in een week van de heroïne afgekickt en heel ziek geweest.' In de kliniek De Hoop in Dordrecht kickte hij af. 'Ik denk dat als iemand mij destijds gratis heroïne had aangeboden, dat ik me had ingeschreven. Als je voor je drugs moet zorgen, leid je een onregelmatig bestaan, met perioden dat er weinig is. Je wordt heel erg ziek. Ik denk dat het goed is dat je je af en toe zo slecht voelt. Pas dan word je gedwongen keuzes te maken. Bovendien betwijfel ik of verslaafden die heroïne krijgen, uit de criminaliteit stappen. Dat was een onderdeel van het ritueel, net als scoren en spuiten.'

Bolletjesslikkers

Toch blijkt volgens hoogleraar Van den Brink dat de criminaliteit bij heroïneverstrekking sterk afneemt. 'Bij binnenkomst plegen ze gemiddeld 18 dagen per maand criminele activiteiten, aan het eind nog maar twee dagen.' Dat zijn cijfers waarmee justitie en politie tevreden kunnen zijn. Zelfs nu de opsporing van kleinschalige drugshandel geen prioriteit heeft, is justitie zwaar overbelast. Dat werd vooral duidelijk door de komst van de bolletjesslikkers uit het Caraïbisch gebied. Toen minister Donner vorig jaar toegaf dat het weinig zinvol was ze allemaal op te sluiten, bleef harde kritiek achterwege. Feitelijk betekende dat een uitbreiding van het gedoogbeleid. Iedereen die met minder dan drie kilo harddrugs arriveert op Schiphol gaat vrijuit.

Frits Bakker, president van de rechtbank in Haarlem, het arrondissement waaronder Schiphol valt, erkent dat het drugsprobleem een zware wissel trekt op de strafrechtketen. 'Dat geldt voor de Haarlemse rechtbank in extreme mate.' Het arrondissement opende zelfs een speciale vestiging op Schiphol. 'Op jaarbasis zijn twintig rechters bezig met het berechten van drugscriminaliteit. Wij stoppen alleen al vanuit Haarlem het halve gevangeniswezen vol met drugskoeriers.'

Bakker zegt dat zijn rechtbank vooral moeite heeft met het drugsbeleid, omdat het 'niet duidelijk en niet standvastig' is. Inmiddels geldt dat onduidelijke gedoogbeleid ook in toenemende mate voor harddrugs.

Dat levert voor de rechtbank een dilemma op: moet iemand die met een kilo cocaïne op de Grote Markt in Haarlem wordt opgepakt een zware vrijheidsstraf krijgen, terwijl een drugskoerier die op Schiphol arriveert met 2,5 kilo cocaïne wordt heengezonden? 'Tot op heden is de stelling van onze strafkamer geweest dat het onvergelijkbare gevallen zijn en dat het beleid op Schiphol bijzonder is gegeven de situatie van dit moment, en dat de handelaar die in Haarlem wordt aangehouden, zich niet kan beroepen op het feit dat een ander wordt heengezonden', zegt Bakker. 'Maar het blijft moeilijk uit te leggen.'

Overigens stelt Bakker dat ook opsporingsdiensten in andere Europese landen pragmatisch aankijken tegen de drugsproblematiek. Op veel plaatsen wordt feitelijk een vergelijkbaar gedoogbeleid gevoerd, al wordt daar in de politiek niet over gesproken. Landen waar de politie consequent jaagt op cannabisgebruikers heeft Europa niet meer, zegt hoofdcommissaris Van Riessen. 'In Frankrijk of Spanje wordt niemand vastgehouden voor gebruikershoeveelheden. Alleen wordt er niet over gesproken. Wij doen dat wel, en we proberen het ook nog in het buitenland te verkopen. Kijk ons eens mooi gedoogbeleid voeren! Daar heb ik me wel kloterig over gevoeld.'

Engeland voerde dit jaar officieel een vorm van gedoogbeleid voor cannabis in. Gebruikers krijgen eerst een waarschuwing. Ook in België en veel Duitse deelstaten worden gebruikershoeveelheden door de vingers gezien. Zelfs in Zweden bestaat een zekere mate van gedogen, zegt drugsonderzoeker Dolf Tops, een Nederlander die sinds 1977 in Zweden woont. 'In Malmö gaan speciale brigades van de politie op gezette tijden achter jongeren met cannabis aan. Ze nemen ze mee uit kroegen naar het politiebureau om hun urine te testen.'

Volgens strafrechtdeskundige Louk Hulsman is 'drugsbeleid' eerder per stad in te delen dan per land. 'Het nationale drugsbeleid zegt niet zoveel, ook niet in een land als Frankrijk.' Anderen delen die mening. Volgens de Amsterdamse drugsonderzoeker Peter Cohen is Europa de Nederlandse kant opgegaan. 'Om opportunistische redenen. In de politiek wordt het tegenovergestelde gezegd, maar op de werkvloer blijkt dat door het enorme aantal potentiële zaken overal strategieën zijn ontstaan om de werkdruk te verminderen. Heel veel handel en gebruik wordt liever niet gezien. De Duitse politie doet aan de grens met Nederland niets tegen mensen die uit coffeeshops komen.'

Die discrepantie tussen harde politiek-ideologische taal en de uitvoeringspraktijk op lokaal niveau bleek vorig jaar uit onderzoek van het Amerikaanse onderzoeksbureau rand.

In opdracht van de ministeries van Volksgezondheid van België, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en Nederland keken zij naar de effectiviteit van het cannabisbeleid. In de meeste landen hebben lokale opsporingautoriteiten een zekere autonomie. Als de politie in een regio onvoldoende mankracht of financiële middelen heeft, blijkt het onmogelijk het landelijke beleid uit te voeren. In de meeste landen bestaat een tendens cannabisgebruik te decriminaliseren, alleen al omdat een strafblad wegens cannabisgebruik wordt gezien als een buitenproportionele sanctie die grote consequenties kan hebben voor iemands loopbaan. De commissie-Baan wees daar al in de jaren '70 op.

Ondertussen wordt op Europees niveau volop nagedacht over het drugsbeleid. Met kleine stapjes, want het onderwerp blijft een hete aardappel. Dat zal nog blijken als Nederland dit jaar als EU-voorzitter moet komen met een nieuwe Europese 'drugsstrategie'. Die bevat nu doelstellingen als een 'blijvend grote prioriteit voor het drugsvraagstuk' en 'een grote prioriteit voor drugspreventie en terugdringing van de vraag' - geen teksten waar drugsexperts van achteroverslaan.

Geslaagd of mislukt?

Is het Nederlandse drugsbeleid nu geslaagd of mislukt? Een van de mogelijkheden om dat te meten is een vergelijking van het aantal drugsgebruikers in verschillende landen. Het Europese Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving (ewdd) vergelijkt jaarlijks de aantallen drugsgebruikers. Daarbij valt op dat, ondanks de 700 coffeeshops, minder Nederlandse jongeren softdrugs gebruiken dan jongeren uit Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje of Duitsland. Wat betreft het gebruik van cocaïne zit de Nederlandse bevolking in de middenmoot. Met het gebruik van ecstasy scoren Nederland en Engeland hoger dan de rest, al is het aantal gebruikers van synthetische drugs op zijn retour, nu ook de house- en ravecultuur hun beste tijd gehad hebben. Het aantal heroïneverslaafden is in Nederland met 25.000 al jaren het laagste in Europa. In landen als Portugal en Luxemburg ligt dat aantal verhoudingsgewijs drie keer zo hoog, in Italië, Engeland en Wales, Zweden, Spanje, Ierland en Frankrijk twee keer zo hoog.

Toch concluderen veel onderzoekers dat het aantal drugsgebruikers in een land niets te maken heeft met het beleid. Hoogleraar Wim van den Brink: 'Je hebt landen met een heel restrictief drugsbeleid, zoals Amerika, waar je de hoogste drugsgebruikerscijfers van de wereld hebt. Je hebt landen met een heel restrictief beleid, zoals Zweden, waar die cijfers vrij laag zijn. Dan heb je landen met een liberaal beleid, zoals Nederland, met gemiddelde gebruikerscijfers. Er zijn ook landen met een liberaal beleid, zoals Denemarken, waar hele hoge gebruikerscijfers zijn. We moeten het Nederlandse drugsbeleid dus ook niet te veel propageren.'

Onderzoekers en politici zijn het er wél over eens dat het drugsbeleid invloed heeft op de manier waarop een samenleving met gebruikers omgaat. 'We stoppen in Nederland liever geen jongeren die drugs gebruiken in de gevangenis, omdat ze daar niet beter van worden', zegt Van den Brink. 'We doen veel aan preventie en behandelen degenen met verslavingsproblemen. We hebben daarom in Nederland een veel ruimer behandelaanbod voor drugsverslaafden dan andere landen. Wij hebben contact met ongeveer 70 procent van alle heroïneverslaafden, in Amerika is dat 10 procent.'

Volgens criminoloog Tim Boekhout van Solinge heeft het beleid zelfs invloed op de levensverwachting van verslaafden. 'In Nederland hebben veel heroïnegebruikers al grijs haar, de gemiddelde leeftijd is bijna 40. Onder de 25 jaar vind je ze vrijwel niet meer.' Die jonge heroïneverslaafden zijn er juist wel in Stockholm, in Moskou en in Glasgow. 'Verslaafden zijn in Nederland goed zichtbaar rond de stations. Junks zien er ongezond uit. Dat heeft een afschrikwekkende werking. In andere landen moeten ze zich verstoppen voor de politie en blijft het probleem onzichtbaar. Daardoor wordt dat leven aantrekkelijker.'

Zweeds voorbeeld

Een vergelijking met Zweden, wat drugsbestrijding betreft het meest repressieve land in Europa, levert schokkende resultaten op, zegt Dolf Tops. Voor zijn promotie in 2001 aan de Universiteit van Lund vergeleek hij de drugsaanpak in Zweden en Nederland. Zo is spuit- omruil in Zweden nog steeds niet ingevoerd, omdat de overheid geen verkeerd signaal wil afgeven. Maar met het ontbreken van dergelijke maatregelen wordt bewust een hele groep verslaafden opgeofferd, meent Tops. 'Sinds de jaren '80 zijn duizenden doden gevallen. Vorig jaar stierven meer dan vierhonderd mensen door drugs, een verviervoudiging sinds 1995. Dat komt door een overdosis, doordat ze op straat leven, doordat er geen voorzieningen zijn. Het Zweedse drugsbeleid is crimineel. Over twintig jaar komt de vraag: hoe heeft dit ooit kunnen gebeuren?'

Veel van de Nederlandse maatregelen ter beperking van de gezondheidsrisico's werden in andere Europese landen wel overgenomen, Zwitserland liep vaak voorop. Toch bleven spuitomruil, gebruikersruimten en methadonverstrekking elders jarenlang taboe. In de jaren '80, toen bekend werd dat vuile spuiten hiv konden verspreiden, raakte de spuitomruil in zwang. Ook Frankrijk ging daardoor overstag. 'Door aids was het geen individueel probleem meer, maar een kwestie van nationale volksgezondheid', zegt Boekhout van Solinge. 'Als de bedreiging te groot wordt, wint het pragmatisme.'

Hetzelfde geldt voor de verstrekking van methadon. In Engeland, waar jaarlijks vele honderden drugsdoden vallen, krijgen tegenwoordig 40.000 verslaafden methadon. 'Het principe van harm reduction is de grote verdienste van het Nederlandse drugsbeleid', zegt Gerry Stimson, hoogleraar volksgezondheidswetenschappen aan het Imperial College in Londen. 'Nederland heeft aangetoond dat er alternatieven zijn voor een strafrechtelijke behandeling van drugsgebruikers. In veel landen is een kentering gekomen in het denken.' Dat beaamt het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving. 'De gezondheidszorg en het sociaal en onderwijsbeleid worden steeds belangrijker bij het terugdringen van drugsgerelateerde problemen', schreef het ewdd in het jaarverslag 2003. 'Steeds vaker wordt ook erkend dat het strafrechtelijk systeem alleen niet altijd in staat is om de problemen als gevolg van problematisch drugsgebruik aan te pakken.'

Legalisering

Toch is in Nederland de discussie nog lang niet uitgewoed, vooral als het gaat om de coffeeshops. De achterdeurproblematiek had op de één of andere manier geregeld moeten worden, vinden velen. 'Als burger ben ik voor legalisering van softdrugs', zegt rechtbankpresident Bakker. Hij signaleert dat de maatschappelijke opvattingen over drugsgebruik de laatste jaren snel zijn veranderd. 'Het is kennelijk voor de burger ook niet zo erg meer dat mensen met de smokkel van drie kilo cocaïne worden heengezonden. Ik heb nergens vlammende protesten gehoord.' Bakker is echter geen voorstander van het vrijgeven van alle drugs. 'Je kunt dat niet los zien van de verdragen die we hebben ondertekend. Dan krijgen wij een positie als een soort narcostaat.'

Hoogleraar verslaving Wim van den Brink vindt dat het drugsbeleid positief heeft uitgewerkt waar het de volksgezondheid betreft. 'Het heeft ertoe geleid dat wij weinig drugsdoden hebben. Wij hebben richtlijnen voor houseparty's bedacht, met regels voor schone pillen, voldoende water, chill-out rooms, omdat bleek dat oververhitting en uitdroging een verhoogd risico op doden gaf. Een andere indicatie van het succes van het Nederlandse beleid is misschien het feit dat we met het aantal heroïneverslaafden onderaan de lijst staan. In elk geval heeft ons beleid er blijkbaar niet toe geleid dat iedereen maar van alles gebruikt.'

Ook Franz Trautmann van het Trimbos Instituut is uiteindelijk niet negatief over het Nederlandse drugsbeleid. 'Nederland heeft gekozen voor een beleid dat op feiten en onderzoek is gestoeld, niet op de ideologie van een drugsvrije maatschappij. Dat is ook onzin. Het drugsprobleem is genormaliseerd, net als abortus, of euthanasie.' Nicole Maalsté vindt zelfs dat het drugsprobleem 'enorm wordt overdreven'. 'Al die ophef. Als je het gewoon vrijgeeft, dan levert dat een enorme geldbesparing op in de opsporing en je voorkomt een hoop ellende. Waarom zouden mensen meer drugs gaan gebruiken als het vrij verkrijgbaar is? Zo lang je maar aangeeft dat er risico's aan verbonden zijn. Mensen moeten de vrijheid krijgen om zelf te bepalen of ze dat risico willen nemen.' Zo denkt ook gepensioneerd hulpverlener Erik Fromberg erover. 'Al het drugsgebruik heeft maar één doel: de behoeften van de binnenwereld in overeenstemming te brengen met de eisen van de buitenwereld. Sommige mensen lopen elke dag een halve marathon om die drugs zelf te genereren. Ook dat werkt verslavend. Dat is een alternatieve heroïneverslaving, en een uitermate tijdrovende manier om het effect van een shotje heroïne te ondergaan.'

Oud-minister Hedy d'Ancona blijft het 'bespottelijk' vinden dat Nederland de achterdeurproblematiek van de coffeeshops nooit heeft kunnen regelen. 'Maar dat was in het cda-kamp onbespreekbaar. Als je nu ziet dat het coffeeshopcircuit toch onderdeel is geworden van keiharde criminaliteit, kun je achteraf zeggen dat het anders had gemoeten. Er moeten geen mensen zijn die er zo krankzinnig veel aan verdienen. Je moet proberen om het uit de criminele sfeer te houden. Als je de achterdeur regelt, is er een wereld gewonnen.'

Volgens Winnie Sorgdrager, voorheen minister van Justitie, kan Nederland niet zoveel anders doen dan het huidige beleid voortzetten. 'Oplossen kun je het probleem niet meer, wat je ook doet. Het kon onder Van Agt nog wel, maar nu zit je nog veel meer gevangen in de verdragen. We hebben in de jaren '90 wel eens vluchtig gedacht aan kwekerijen met een vergunning voor de hennepteelt, maar we concludeerden al snel dat dat heel moeilijk zou zijn binnen de verdragen.' Bovendien zou de Nederlandse hasjroker volgens haar geen genoegen nemen met het louter roken van nederwiet. Het importeren van drugs is volgens de verdragen helemaal uit den boze. Het reguleren van de achterdeur is moeilijk, maar niet onmogelijk, geeft Sorgdrager toe.

'Dat het nooit geregeld is, is politieke onwil en angst voor het buitenland', vindt Mario Lap van Drugtext. Hij schreef begin jaren '90 namens het toenmalige Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (de voorloper van het Trimbos Instituut) een cannabiswet, die in de Kamer werd ingediend door Groenlinks. In de wet was alles geregeld: er zouden speciale kwekerijen moeten komen, die alleen met een vergunning van de inspecteur voor de volksgezondheid onder strenge voorwaarden cannabis mogen verbouwen. Als de productie en de toelevering aan de 'verkoopinrichtingen' streng worden gecontroleerd door een overheidsbureau, bijvoorbeeld de Keuringsdienst van Waren, en er geen handel met het buitenland plaatsvindt, kun je de achterdeur regelen, ondanks alle internationale verdragen, meent Lap. 'Dan zou je alleen in Nederland geproduceerde cannabisproducten mogen verkopen binnen Nederland.' Handel met het buitenland is uitgesloten volgens de verdragen.

Maar in de Tweede Kamer was er geen meerderheid voor. En dus worden de coffee- shops nog steeds bevoorraad door een mistig circuit van leveranciers, variërend van de kleine thuisteler met de officieel toegestane vijf plantjes in het raamkozijn tot de uiterst professioneel opgezette hennepplantages met tienduizenden planten. Legaal en illegaal lopen door elkaar, dus nagenoeg alle coffee- shops krijgen vroeg of laat met illegale leveranties te maken. Omdat coffeeshops maar 500 gram cannabis in voorraad mogen hebben, maken zij gebruik van stash-ruimten van burgers die tegen betaling graag een voorraadje in hun appartement houden.

Is het Nederlandse beleid daarmee mislukt? Sorgdrager: 'We hebben bereikt dat er een scheiding is tussen harddrugs en softdrugs. Maar de softdrugs zijn niet meer zo soft als destijds, er zijn te veel coffeeshops en de criminaliteit eromheen is harder en uitgebreider dan we hadden gehoopt. Maar is het nu zoveel slechter als wanneer we niets hadden gedaan?'

Wat de coffeeshops betreft is het volgens haar een kwestie van krachtiger de regels handhaven, om de overlast terug te dringen. 'Als dat voor de horeca kan, moet dat ook voor coffeeshops kunnen. Nu heerst er een sfeer dat alles maar moet kunnen. Dat is geen kwestie van gedogen, maar een kwestie van een lakse houding. Handhaaf dan.'

Oud-coffeeshophouder Bruining vindt dat de politiek te weinig lef toont. 'We zijn een klein landje met kleine politici. Ze zouden het aan de markt moeten overlaten om een oplossing te bedenken voor de achterdeur. Politici hebben geen idee waar ze het over hebben. Een groep mullahs kun je ook niet uitleggen dat een café gezellig is en dat een biertje lekker smaakt bij rijsttafel.'

500 miljard dollar-markt

Maar uiteindelijk ligt de oorzaak van het probleem in een verder verleden. Doordat drugs bijna honderd jaar geleden werden verboden, is de markt uitgegroeid tot een van de grootste handelssectoren op aarde. De vn berekenden ooit dat in de drugshandel 400 tot 500 miljard dollar per jaar omgaat. Alleen al om die reden scharen weinig betrokkenen in Nederland zich achter het mondiale verbod. Hulpverlener Erik Fromberg vindt het nog steeds naïef dat het liberale Amerika, dat heilig gelooft in de werking van de markt, denkt 'dat je met een verdragje of een opiumwetje middelen kunt verbieden waarnaar al gedurende de hele geschiedenis van de mensheid vraag is'.

Wetenschapper Peter Cohen ziet in het wereldwijde drugsverbod 'een voortzetting van het geloof in externe machten, vergelijkbaar met heksen vroeger, die de menselijke autonomie kunnen ontvoeren'. Eeuwen geleden, zegt Cohen, dachten mensen dat de duivel de ziel kon kidnappen. 'Zo denken ze nu nog over drugs. Drugs zijn slecht voor een mens? Ja, maar topsport is ook afschuwelijk voor je lijf, en een expeditie naar de Noordpool ook.'

Juist door de strafbaarstelling zijn drugs gevaarlijker gemaakt dan ze waren, vinden mensen als Cohen, Maalsté, Fromberg en Hulsman. Cohen: 'We zijn gewend om mensen die we junks noemen uit de sociale verbanden te houden en ze te marginaliseren. De grootste schade wordt toegebracht, doordat drugs illegaal worden verhandeld. Stoffen zijn niet zuiver, er hangt een gewelddadige markt omheen en gebruikers komen in de gevangenis.

Mensenrechten wordt geweld aangedaan.

Het Nederlandse beleid veroorzaakt beduidend minder schade dan het beleid van Amerika of Zweden.' Volgens Hulsman maken regeringen bovendien de fout dat zij in zaken treden die hen niet aangaan. 'De staat heeft geen barst te maken met wat mensen eten, drinken en roken. Dat doen families en kerken. De staat moet een gezondheidsbeleid voeren en informatie geven.'

Zelfs rechtbankpresident Bakker denkt dat de maatschappij beter af zou zijn als de opsporingsautoriteiten zich minder met drugshandel zouden bezighouden. 'Dan komt er een geweldige opsporingscapaciteit vrij. Als burger zou ik het wel prettig vinden als de dief eindelijk eens wordt gepakt, nadat mijn fiets voor de zoveelste keer is gejat. Als blijkt dat je het drugsprobleem langs strafrechtelijke weg niet onder controle kunt krijgen, vind ik dat je je moet afvragen of het wel zin heeft om daarmee door te gaan, net als de Amerikanen in de jaren '30 deden met alcohol. Als burger zeg ik: dat heeft geen zin.'

Geef die rommel vrij

En hoofdcommissaris Van Riessen? Aanscherping van het coffeeshopbeleid, zoals minister Donner wil, lost volgens hem niets op. 'Er is geen probleem, dus wat moet er opgelost worden? Als we daaraan capaciteit moeten besteden, is dat heel vervelend. Dan kunnen andere dingen dus niet. Het softdrugsbeleid is een succes, want die scheiding is gelukt. Daardoor zijn veel jongeren niet aan de harddrugs geraakt. Ik zeg: gooi die achterdeur open, geef die rommel vrij. Het zou goed zijn voor het toerisme en onze export. Nederwiet is kwalitatief heel goed spul. Stop de hele wereld maar vol, daar is niets mis mee. Leg mij het verschil uit tussen alcohol, sigaretten en softdrugs. Veel ouderen krijgen het voorgeschreven. Laat ze hun laatste jaren lekker een sjaffie roken. Als hasj nou hetzelfde effect heeft als prozac, dan is dat toch prima?'

Maar zover is het nog lang niet. Kijkend naar de rest van de wereld is het onwaarschijnlijk dat drugs ooit legaal zullen worden. Uit de rondgang blijkt één ding: het Nederlandse drugsbeleid is verre van feilloos geweest, maar laat het buitenland het niet wagen er kritiek op te hebben. Veel Nederlandse betrokkenen vinden toch dat ons drugsbeleid betere resultaten heeft gehad waar het gaat om gezondheid en positie van gebruikers. Maar het niet regelen van de hennepproductie en de levering aan de coffeeshops zijn twee van de oorzaken geweest van de onstuimige groei van de georganiseerde criminaliteit.

Onder invloed van alle Europese kritiek in de jaren '90 is Nederland ermee opgehouden zijn drugsbeleid als het enige juiste te propageren. Net zoals de Zweden, geplaagd door eigen problemen, hun restrictieve beleid minder opzichtig proberen te verkopen. In de praktijk lijken de eu-landen enigszins naar elkaar toe te groeien als het gaat om het beheersen van de gezondheidsrisico's van drugsgebruik. Vermoedelijk ligt daar het aanknopingspunt voor een gezamenlijk beleid.

Met medewerking van Jos Verlaan [Wim Köhler]

Rob Schoof, Wim Köhler en Jos Verlaan zijn redacteur van NRC Handelsblad.

Otto Snoek is fotograaf.

[streamer]

De jeugd wilde in de jaren '70 geen 'materialistisch leven in een prestatiegerichte maatschappij', maar wilde een leven van creativiteit.

    • Rob Schoof