Voor eens en voor altijd vernederd

Thomas Bernhard, de grote ontkenner, was ook een man van de Verlichting. Achter het masker verborg zich een diep gekwetst kind. Twee van zijn vroege romans plaatsen de schrijver in een ander daglicht. En een nieuwe biografie blaast de sensatiezucht aan.

Nu hoor ik niets meer als ik het raam openmaak. Niets. Een fantastische stilte.' De industrieel in Verstörung heeft, om te kunnen schrijven, absolute rust nodig en daarom heeft hij al het wild op zijn landgoed laten afschieten. Geen hert scharrelt er meer langs zijn raam, geen twijgje breekt er meer onder de hoeven van wilde zwijnen. Al het leven om de man heen is verwijderd – op een schimmig vrouwtje na, zijn zus, die alles doet wat hij zegt. Desondanks schiet het niet op met zijn boek, want wat hij schrijft vernietigt hij meteen: de eisen die hij aan zichzelf stelt worden almaar hoger.

Deze industrieel is de eerste schrijver in het proza van Thomas Bernhard en een type dat steeds zal terugkeren. Hij heeft een erge ziekte, het schrijven leidt hem af van zijn kwaal en is toch zelf een kwelling. Zijn isolement vindt hij niet leuk, maar afzondering van de wereld is vereist om haar objectief te kunnen observeren en aangezien die wereld ziek is kan alleen een zieke geest haar werkelijk doorgronden. Consequent schept de industrieel een systeem waarin dat denken past. Zijn geest verandert in een kerker. Zijn bezetenheid geselt zijn omgeving. Zijn streven vernietigt alles.

Verstörung, uit 1967, is Bernhards tweede roman en tevens het tweede deel van zijn verzamelde werk dat nu, netjes geannoteerd en voorzien van chique witte wikkels, bij uitgeverij Suhrkamp verschijnt. Frost (1963), Bernhards eerste roman, vult het eerste deel; deel 11, Erzählungen I is onlogisch genoeg ook al uit en er zullen nog negentien delen volgen. Het is een goed moment om het vroege proza van dit Oostenrijkse enfant terrible te herlezen en de geboorte van zijn personages mee te maken. Personages die de ramen dwangmatig openen en sluiten, happend naar frisse lucht en tegelijk liever stikkend dan blootgesteld aan invloeden van buitenaf; personages met gevaarlijke longziektes net als hun auteur, met een haperende ademhaling en ademloos sprekend tegen het naderende einde; met woorden die hen moeten redden maar die henzelf en hun naasten dodelijk bezeren.

Oude kankeraars worden ze genoemd, de sprekers van Thomas Bernhard. En het is waar, deze tirannieke heren druppelen een gif bij je naar binnen dat, zeker in het nog niet door humor verluchtigde vroege werk, op slag deprimeert. Maar hun geweldige kanten worden vaak vergeten. Hun heroïsche gevecht om iets groots neer te zetten. Hun oncorrumpeerbare waarheidsliefde. Hun poging tot nietsontziende eerlijkheid in dienst van de Verlichting. Voor een juist begrip van Bernhards helden moeten we terug naar zijn jeugd, naar zijn autobiografische boeken die nog niet in de witte wikkels van het verzamelde werk zijn verschenen.

Die Ursache, Der Keller, Der Atem, Die Kälte en Ein Kind: vaker dan elders laat de auteur hier zijn masker vallen, breekt hij door zijn pantser heen. En zo krijgt de liefde een kans, en alles overstijgend is Thomas' liefde voor zijn grootvader. De Oostenrijkse schrijver Johannes Freumbichler (1881-1949) was Bernhards grote voorbeeld. Niet per se vanwege zijn gebrek aan succes – Freumbichlers oeuvre, zo groot als dat van Thomas Mann, bleef grotendeels onuitgegeven. Maar wel vanwege zijn onvermoeibare strijd tegen de zinloosheid. `Tegen de zinloosheid opstaan en beginnen, werken en denken in niets dan in zinloosheid. [...] En de volgende ochtend weer hetzelfde, met de grootste nauwkeurigheid, met de grootste indringendheid, de voorgespiegelde betekenis.' Dat schrijft Bernhard over zijn opa in Die Kälte en het beeld doemt op van een alpiene Sisyfus die steeds opnieuw de vallende steen tegen de berg op rolt, want de absurditeit, weet hij, is de enige weg.

Zelfs vlak voor zijn dood, tegelijk met de kleinzoon gesloopt door ziekte, zat de opa iedere morgen al om drie uur achter zijn bureau, een oude paardendeken om zijn schouders gedrapeerd. De toewijding van die oude man ontroert – juist omdat hij er zo'n hoge prijs voor betaalde. En niet hij alleen. Net als de industrieel in Verstörung maakte Freumbichler de vrouwen in zijn omgeving ondergeschikt aan zijn heilige missie. Terwijl de schrijver naar het hoogste reikte moesten zijn echtgenote en zijn dochter, Thomas' moeder, de nederigste baantjes aannemen. Ze gingen uit werken als dienstmeisje en àls er al eens een vrouw in Bernhards werk opduikt, dan is het in die rol. Maar ze offerden zich op uit overtuiging, de Freumbichler-vrouwen, ze geloofden in de superioriteit van Johannes' geest.

Een geest die de duisternis van de domheid met luciditeit moest doordringen. Een geest die tot op de bodem van de menselijke laaghartigheid moest gaan om die mens door inzicht te verheffen. Tegen het besef van zinloosheid in dacht de grootvader, precies als later de kleinzoon, dat zijn scherpe verstand de slechtheid kon ontmaskeren. Maar bij de kleinzoon, en bij diens personages, wordt het verstand zèlf een masker – ter bedekking van het dodelijk gekwetste gevoel. Bernhards angst voor zwakte geeft hem een hardheid die sentimentaliteit, zoals hij emoties noemt, moet buitensluiten. En toch ken ik geen emotioneler werk dan dat van Thomas Bernhard. Zijn woede is een schreeuw om liefde – zoals het jongetje Thomas in bed plaste om aandacht te krijgen, zo pist de schrijver Bernhard tegen zijn lezers aan.

Zijn schofferingskunst is onovertroffen en in het vernederen zijn z'n figuren meesters – omdat ze zelf vernederd zijn, ooit en voor altijd. De vernedering van Thomas Bernhard begon bij zijn geboorte. Hij was een ongewenst kind, vermoedelijk het product van een verkrachting, en zijn alleenstaande moeder deed hem al gauw weg. In het bewaarhuis waar hij na een paar levensmaanden terechtkwam, mocht moeder Herta hem bij haar tweemaandelijkse bezoekjes niet eens uit bed tillen. Later werd het kind heen en weer geschoven tussen zijn grootouders en Herta's nieuwe gezin, waar het bedplassen zijn trieste aanvang nam. Moeders echtgenoot piekerde er niet over het joch te adopteren en bij een vaderschapstest, waarbij de achtjarige Thomas met een bloedproef voor de rechtbank moest verschijnen, liet de opgespoorde verwekker botweg verstek gaan. Allemaal ervaringen die de basis legden voor de hoofdzaken in Bernhards werk: het wantrouwen tegen de wereld, de kou en duisternis, het afgesneden-zijn, de breekbaarheid van relaties, de grote eenzaamheid.

Om te overleven ontwikkelde Bernhard een truc. Omdat hij zijn gevoel niet mocht vertrouwen bouwde hij op zijn verstand. Dat moest de verlorengegane banden herstellen, zijn ik kunstmatig in evenwicht brengen, de analyticus in hem alle voorrang geven. En zo leven Bernhards Geistesmenschen in een wereld vol gebroken relaties hun paranoia uit terwijl zij hun angsten met hun hoofd proberen te beheersen. Hun mond produceert een dichtgetimmerde syntax en een obsessieve reeks herhalingen: om een samenhang te scheppen die niet meer plotseling kan worden kapotgemaakt. De rigide orde die zij voor zichzelf en anderen scheppen is niets anders dan het verlangen naar harmonie.

Zien we die menselijke, haast warme laag in Bernhards oeuvre niet, dan stoot het alleen maar af. Dan ontbreekt voor de lezer de tragische dimensie. Die in het vroege werk duidelijker aanwezig is dan later, omdat de jonge schrijver zich nog weleens wat sentimentaliteiten permitteerde. In Frost en Verstörung vind je niet alleen de invloed van Johannes Freumbichlers leermeester Schopenhauer, met zijn pessimistische idee dat het leven lijden is, maar ook van de romanticus Novalis en zijn zoektocht naar de Blauwe Bloem, de verloren gegane mystieke eenheid. De zichzelf schilder noemende hoofdpersoon Strauch in Frost lijdt zo onder het verlies van die bloem dat hij depressief is geworden. En bij tijd en wijle manisch.

Rusteloos struint hij door de natuur, in de hoop dat zij hem opneemt. Maar ze stoot hem af, met een kracht die niet onderdoet voor de bruutheid van de mensen. Strauch is te gevoelig voor deze wereld – en het inlevingsvermogen waarmee Thomas Bernhard hem tekent heeft de sensibiliteit van Duitse romantici. Een kwetsbaar mens trekt zich terug in zijn fantasie; zijn wezen valt uiteen en de krachtsinspanning om dat alles bij elkaar te houden leidt tot uitputting en, waarschijnlijk, tot zelfmoord. Vanaf de eerste bladzijde omringt een fijnzinnige melancholie deze arme man en de stijl is nog conventioneel, met een verteller die Strauchs monologen breekt, en met een week einde.

Ook Verstörung begint conventioneel. Opnieuw leert een jonge verteller het leven kennen – door met zijn vader, een dokter, mee op visite te gaan. De tocht voert dwars door de Oostenrijkse provincie en allengs verandert de bedachtzame, lichtelijk droevige toon: naarmate het hart van de duisternis die de provincie volgens Bernhard is dichterbij komt, worden de patiënten gestoorder en hun monologen woedender. Langer ook, steeds langer, culminerend in de bladzijden lange rede van een getikte vorst. Citaat: `,,Iedereen voert alleen nog maar zelfgesprekken,'' zei de vorst, ,,wij bevinden ons in het tijdperk van de zelfgesprekken. De kunst van het zelfgesprek is ook een veel hogere kunst dan de kunst van het gesprek,'' zei hij. ,,Maar zelfgesprekken zijn net zo zinloos als gesprekken,'' zei de vorst, ,,ofschoon veel minder zinloos.'''

Het zou makkelijk zijn als we de alleenspraak van deze eenzaam op een berg residerende aristocraat konden afdoen als geraaskal. Maar achter zijn ontdekking van de liefdeloosheid van de wereld gaat een verlangen naar het tegendeel schuil en in de angst voor zijn zogenaamd alleen op zijn geld azende zoon zit de wens om hem te vinden. En is het niet helemaal waar dat we in een gesprek altijd het gevoel hebben `op een slap koord' te balanceren? Wie is er níet bang om van dat koord te vallen? In zijn waanzin bereikt de vorst lucide momenten en als je dit zelf lucide leest, dan heeft zijn angst voor het verlies van zijn bezit aan z'n zoon nog een andere betekenis: diep in zijn hart wil hij dat die zoon het verkwanselt en vernietigt, om er vanaf te zijn.

Bezit heeft altijd een dubbelzinnige rol gespeeld in Bernhards leven en werk. Gitta Honegger gaat er uitvoerig op in in haar biografie Thomas Bernhard – `Was ist das für ein Narr?' Omstandig verklaart ze Bernhards verlangen naar bezit uit het uiteenvallen van de Habsburgse monarchie, uit de Oostenrijkse onzekerheid na dat verlies aan macht en status. Maar de ware redenen liggen in Thomas Bernhard zelf. In zijn persoonlijke geschiedenis, die bij Honegger maar mondjesmaat aan bod komt. Bernhards familie trok van hot naar her; de grootvader had zijn erfenis, het ouderlijk huis, afgeslagen om helemaal voor de kunst te kunnen leven. Nergens waar hij neerstreek had hij succes en enerzijds bewonderde Thomas de onafhankelijkheid en onconventionele levensstijl van opa & co, anderzijds voelde hij de verachting van de mensen voor hun gebrek aan bezit, aan vastigheid, aan heimat. Zodra Bernhard, wèl al snel succesvol, het zich kon permitteren kocht hij een landgoed, en later nog een en nog een: om een eigen plek te hebben, tegen de van jongs af ervaren bestaansonzekerheid.

Honegger plaatst Bernhard in een breed perspectief waarin Oostenrijk haast meer aandacht krijgt dan Bernhards oeuvre zelf. Zoals hij haat-liefde voelde voor landgoederen, bezit en aristocratie, zo legt zij een fascinatie aan de dag voor de society. Bernhard figureerde daarin als een cultfiguur en ook wel als een nar, die de verschrikkelijkste dingen over de beau monde mocht zeggen. Tot op zekere hoogte. De nauwelijks verhulde sleutelroman Holzfällen leidde tot een rechtszaak omdat Bernhard er iemand in belachelijk maakte die hem jarenlang financieel en emotioneel had ondersteund. En Heldenplatz, zijn laatste toneelstuk, een jaar voor zijn dood in 1989 verschenen, zorgde voor commotie omdat de hoofdpersoon een jood is die hardop zegt dat de Weners de joden en dan vooral de teruggekeerde joden haten.

Helaas blijft Honegger vaak steken in wat zij de Weners verwijt: in Klatschsucht en sensatiezucht, in de honger naar schandalen en in een grenzeloze nieuwsgierigheid naar de handel en wandel van beroemdheden. Vanuit dat oogpunt bekijkt zij haar object en zo blijft zij aan de buitenkant. Wie iets over Bernhard wil lezen dat meer van zijn innerlijk blootlegt kan beter de spotgoedkope Rowohlt-monografie van Hans Höller lezen. Een juweel van een boekje, compact, diepgaand en waar.

Want daar gaat het bij Thomas Bernhard toch om, om waarachtigheid. Jazeker, hij kon als geen ander overdrijven. Maar zijn inspanning om zo dicht mogelijk bij de kern van het bestaan te komen, was authentiek. En verbijsterend eerlijk. `De waarheid is altijd een vergissing, elke vergissing is niets dan de waarheid,' schreef hij in Die Kälte. Van wie anders had hij dat geleerd dan van zijn opa. Zijn opa de tiran, de zelfkweller, de eenzame held van de geest. De kleinzoon ontziet hem kritisch: `Mijn grootvader had altijd de waarheid gezegd en zich volkomen vergist, zoals ik, zoals wij allemaal.'

Thomas Bernhard: Werke. Bezorgd door Martin Huber en Wendelin Schmidt-Dengler. Suhrkamp Deel 1: Frost (359 blz. €40,35). Deel 2: Verstörung (240 blz. €34,55)

Gitta Honegger: Thomas Bernhard. `Was ist das für ein Narr?'. Propyläen, 454 blz. €29,75