Ongehoorzaamheid

,,In Nederland zal nooit een revolutie uitbreken, omdat je er niet op het gras mag lopen'', zou Karl Marx eens hebben gezegd. Over het algemeen is Nederland inderdaad een braaf land, dat niet al te veel sociale moeilijkheden zoekt. Vooral de jaren van de verzuiling staan bekend als een periode waarin de nationale leiders bepaalden wat hun achterban wel en niet deed. Toch was Nederland ongehoorzamer dan Marx veronderstelde. Dat manifesteerde zich duidelijk in de sport, hoewel dit verzet niet moet worden geassocieerd met demonstraties, spandoeken en grimmige gezichten. Integendeel: dat pas in 2004 iemand erover schrijft, zegt alles over de geniepigheid.

In 1939 bijvoorbeeld ergerde de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) zich dood aan de Amsterdamse voetbalclub De Volewijckers. Deze arbeidersvereniging, met voormalig CPN-kopstuk Gerben Wagenaar in het eerste elftal, weigerde zich aan te sluiten bij de sociaal-democratische sportbond NASB. Op een partijcongres werd opgemerkt dat `het moreel niet geoorloofd wordt lid te zijn van een niet-moderne vakbond, en wie van ons zou het in zijn hoofd halen lid te zijn van bijvoorbeeld de AVRO in plaats van de VARA? Maar in de sportwereld onderkent men de verschillen niet.' Volgens oud-speler Tip de Bruin was de reden daarvoor simpel: ,,We waren te goed voor de arbeidersvoetbalbonden.'' Verzuiling of niet, bij de KNVB was het veel leuker.

Amsterdam heeft de Olympische Spelen van 1928 zelfs te danken aan de ongehoorzaamheid van de Nederlandse bevolking. In 1925 verwierpen regering en parlement een verzoek om een financiële garantstelling. Veel confessionelen vonden het evenement te heidens, voor de communisten en socialisten was het te burgerlijk en kapitalistisch. Maar een publieksactie van De Telegraaf bracht genoeg geld op voor de organisatie om door te gaan met die Spelen. Waarmee Nederland ontsnapte aan een internationale blamage: eerst de Spelen binnenhalen om ze vervolgens wegens een `zeurend parlement' weer terug te geven.

En dan nog de Zondagswet uit 1953, die het sporten op die dag bijzonder moeilijk maakte. In een opinieonderzoek van dat jaar zei 51% van de ondervraagden dit een overbodige wet te vinden. Slechts een kwart vond het wel noodzakelijk en dat waren vooral de gereformeerden. Van deze groep steunde namelijk zestig procent de Zondagswet. Zoals te verwachten lag het aantal bij de buitenkerkelijken met twaalf procent veruit het laagst. Niet dat deze cijfers de overheid beïnvloedden, want de wet werd gewoon ingevoerd. Alsof dit land alleen maar bestond uit gereformeerden.

Voor een revolutie was Nederland toentertijd echter simpelweg te braaf. Marx zag het dus goed, maar dan wel met de nuancering dat hij geen rekening hield met voetbalgras. Want daar deden de Nederlanders eerder waar ze zin in hadden dan elders in de maatschappij.

jurryt@xs4all.nl