Levensechte weduwen

Sinds Flaubert's Parrot twintig jaar geleden, heeft geen enkel boek van Julian Barnes zich zo onuitwisbaar in de herinnering gevestigd. Hieruit kan begrepen worden dat hij nooit meer een even sterke indruk heeft gemaakt; of met hetzelfde recht dat hij ongeveer beantwoord heeft aan de verwachtingen: vernuftig, francofiel, luchtig van toon, soms nauwkeurig ter zake, soms maar ontspannen doorpratend alsof alles wat hij schrijft opmerkelijk genoeg zal zijn.

Van de elf verhalen in zijn nieuwe The Lemon Table is het meest bijzondere niet het beste. Het zal vooral de concertgangers opvallen die moeten horen hoe – om het Amsterdamse Concertgebouw te nemen – iedere stilte benut wordt door keelschrapers; en hoe soms ook de muziek begeleid wordt met kuchen en omslaan van bladzijden. Het zal op die mopperaars een kalmerende invloed hebben als zij uit `Vigilance' leren dat het in de Londense Festival Hall er net zo aan toe gaat, met alle ergernissen vandien. In zijn geheel heeft het verhaal te veel de stijl van een poppenkast, wanneer de verteller een keelschraper bloedig ten val brengt op een trap van de concertzaal. Zo doen muziekliefhebbers niet; wèl automobilisten.

Welk verhaal hier tegenovergesteld moet worden als zijnde het meest levensechte, is een lastige vraag. Een geschikte kandidaat is `The Fruit Cage' dat zich grotendeels afspeelt in een saai gemetselde bungalow tussen Essex en Suffolk. Hier leven de ouders van de verteller uitgeblust samen na de pensionering van de vader, totdat hun arts sterft en de vader gaat samenwonen met de weduwe, ook een vrouw zonder fleur; hij komt nog wel thuis om de klusjes op te knappen. Wat een saaie levens, maar toch denk je er in een begrijpende stemming aan terug. Het is net echt.

En de andere negen verhalen? Er is een romantische schets over een Russische schrijver T., al gauw herkenbaar als Toergenjev, die bij een reprise van een van zijn toneelstukken vervuld raakt van de jonge actrice en hele reizen met haar zou willen ondernemen, hoewel hij te oud is om haar in te palmen als bedgenoot; het hoogtij van hun relatie is een gesprek in de trein tussen Mtsensk en Oryol, waarna T. in zijn eentje terugreist naar Mtsensk. En dat omstreeks 1880: denk aan het ritme van de wielen op de rails en aan de telegraafpalen langs de lijn; aan de bejaarde schrijver vooroverleunend, en de grote ogen van het meisje – het heeft het effect van een eenakter.

En verder? Een van de satirisch gestemde verhalen gaat over twee weduwen, een Amerikaanse en een Engelse, die opscheppen over de toewijding van wijlen hun echtgenoten. Hun dialoog is hard uit het leven gegrepen, goed voor enige lachsalvo's, die verflauwen wanneer te jolig wordt verwoord wat de dames bij zichzelf zitten te denken.

Dan liever het verhaal over de voorbeeldige Noorse huisvader die op een bootreis naar de overkant van een fjord verliefd raakt op een getrouwde dorpsgenote en dat nooit zal bekennen; een gevoel dat zij beantwoordt, ook zonder bekentenis; en zo gaan hun levens voorbij tot vlak voor zijn dood. Ingetogen, stemmig, eenzaam.

Uit alle verhalen zijn bijzonderheden te lichten die tot de verbeelding spreken. Sommige zijn beter dan andere, maar alleen Barnes kan ze zo schrijven – met die beminnelijke zelfverzekerde lichte toon, zelfs als hij maar wat dwaalt.

Julian Barnes: The Lemon Table. Jonathan Cape, 213 blz. €25,–