`Ik tekende en was normaal aanspreekbaar'

Hoe gek is een man die, soms dagen achtereen, vellen papier voltekent met een fijnmazig patroon van lijntjes en symbolen, in het automatische schrift van een hand die zich verveelt tijdens een telefoongesprek? Behoorlijk gek, zou je denken. Geesteszieken maken zulke werkstukken in hun bezetenheid of als bezigheidstherapie. Soms herkent een kunsthistoricus er artistieke kwaliteiten in en dan wordt het werk als outsider art ondergebracht in een speciaal museum voor onbedoelde kunst.

De samenstellers van de nieuwe monografie over Hans Scholze (1933-1993) hebben er verstandig aan gedaan om een lezing van de tekenaar zelf, die hij drie jaar voor zijn dood hield op de kunstacademie in Enschede, als eerste tekst in het boek op te nemen. Scholze behoorde namelijk tot de zeldzame beeldend kunstenaars die in heldere, goede zinnen over hun eigen werk kunnen schrijven. Misschien kwam dat omdat hij, opgeleid als binnenhuisarchitect, jarenlang stukken schreef voor het tijdschrift Goed wonen; misschien ook omdat hij van nature – zoals zijn jeugdvriend Paul Cahen verderop in het boek opmerkt – `de gave had op zeer indringende wijze zijn verhaal te doen'. Hoe dan ook kunnen zijn tekeningen, die mooi en zonder opsmuk zijn afgebeeld, niet beter worden ingeleid dan door Scholze zelf.

Alle eventuele vooroordelen over weer eens tot kunst bevorderde krankzinnigheid verdwijnen bij lezing van bijvoorbeeld zijn herinneringen aan de zaterdag in 1962 waarop hij zijn eerste `vrije' tekening maakte. `Ik stond op, pakte een vel en een pen en begon te tekenen. Ik tekende door tot zondagnacht, aan één stuk door. Het karton was toen voor het grootste deel met een onontcijferbaar inktdessin gevuld. Ik had geen drup gebruikt, geen alcohol. Ik was niet overspannen, niet `weg van de wereld', normaal aanspreekbaar. Ik keek alleen met stijgende verbazing naar de pen in mijn hand die uur na uur fijne eigen lijnen trok. [...] Ik, die in mijn beroep met gedisciplineerde fantasie vorm diende te geven aan de wensen van de opdrachtgever, had in één weekend vorm gegeven aan iets dat niet eens mijn eigen wens was. Vreemd en voorbeeldloos was dit bouwsel zonder architect.'

In zijn tekeningen had Scholze net zo'n duidelijke, beheerste en toch onvoorspelbare verteltrant als in zijn lezing, zo blijkt uit de reproducties die volgen. Juist dat evenwicht tussen impulsiviteit en overleg maakt het interessant om zijn wandelingen over het papier – zoals Betty van Garrel de werken noemt – aandachtig na te lopen. Iemand die zijn eigen tekenende hand met verbazing gadeslaat, tekent niet met het verstand op nul. Scholzes automatisch schrift is een gestileerd automatisch schrift. Hij stond zijn hand wel toe om onverwacht zijwegen in te slaan, maar nooit om echt van het pad af te geraken. Iedere afzonderlijke tekening, hoe duizelingwekkend ook, is een samenhangend geheel gebleven – en dat kan een kleurrijke, Paul Klee-achtige lappendeken zijn, maar ook een kluwen vormpjes en platte poppetjes in de dunne zwarte inktlijnen die we kennen van Saul Steinberg en Peter Vos. Binnen elke tekening is van het systeem of uitgangspunt vaak en ver genoeg afgeweken om haar voor de maker én de kijker verrassend te houden, maar nooit zo lomp dat er een stijlbreuk ontstond. Scholze was als kunstenaar allerminst naïef. Zijn wandelingen kwamen ongetwijfeld uit een soort bezetenheid voort, maar hij bezag zijn eigen bezetenheid van een afstandje en hield haar in toom, zowel in zijn tekeningen als in de tekst voor zijn lezing. `Ik durf niet te zeggen dat ik niet gek ben', schreef hij, `dat zeggen alleen gekken.'

Felix Villanueva (red.): Hans Scholze (1933-1993). Niet de bestemming, doch de reis.... SUN, 128 blz. €24,50