Het kwaad grondig een kopje kleiner maken

Wij kennen hem als de held van de Verlichting, maar Voltaire was in zijn eigen tijd bovenal `dichter'. Als filosoof mag hij dan beperkt zijn geweest, nieuwe vertalingen van zijn romans en verhalen geven zijn humor, vaart en strijdlust ruim baan.

Tussen onze huidige columnisten zou Voltaire (1694-1778) vlot moeten kunnen inburgeren. Net als in zíjn tijd wordt er nog steeds geschreven tegen de godsdienst en haar excessen; zelfs de islam werd al door Voltaire aangepakt. Voer zijn tragedie Le fanatisme ou Mahomet le prophète weer eens op, en je hebt gegarandeerd de poppen aan het dansen. Alsof er in bijna drie eeuwen niets is veranderd.

Natuurlijk is er wèl het nodige veranderd. De religie beheerst de politiek niet meer; de critici van islam en christendom hebben van overheidswege niets te vrezen, heel anders dan Voltaire die niet eens atheïst was, omdat hij de godsdienst onmisbaar achtte voor de moraal en de publieke orde. Een ander verschil is dat de aversie nu veel minder te maken heeft met theologische finesses (voor Voltaire nog een onuitputtelijke bron van spot en sarcasme) dan met lastig te overbruggen culturele verschillen.

Misschien zou het de auteur van het zeer antitheologische Dictionnaire philosophique (in 2001 vertaald door Hannie Vermeer-Pardoen en nu als goedkope paperback herdrukt) dus toch wel wat méér moeite hebben gekost om zijn draai in het heden te vinden. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor zijn lezers, die over enige historische belangstelling zullen moeten beschikken om ten volle van dit Filosofisch woordenboek te kunnen genieten.

Veel directer is het plezier bij Voltaires romans en verhalen, die onlangs voor het eerst compleet in het Nederlands zijn verschenen onder de titel Filosofische vertellingen, opnieuw een bewonderenswaardige prestatie van Hannie Vermeer-Pardoen. Wie tot nu toe alleen Candide kende, Voltaires beroemdste en al vaker vertaalde roman, kan voortaan ook zijn hart ophalen aan `Micromegas', aan `Zadig', aan `Argeloos', en aan al die drieëntwintig andere, langere en kortere verhalen.

Zelf sloeg Voltaire ze lager aan dan zijn toneelstukken en zijn epiek. We zijn het nu een beetje vergeten, maar in de achttiende eeuw gold Voltaire vooral als de belangrijkste dichter van zijn tijd. Voor het classicisme dat hij aanhing waren romans en verhalen per definitie mindere waar; ze behoorden tot het amusement, niet tot de echte kunst. Zelfs gevaarlijk werden ze door hem niet gevonden.

Dat laatste blijkt uit een curieuze passage in Voltaires Lettres philosophiques uit 1734, nu door Jeanne Holierhoek zeer leesbaar vertaald als Fransman in Londen. Brieven uit Engeland, die werden geschreven vóór het ontstaan van de meeste romans en verhalen. Voltaire tracht zijn lezers ervan te overtuigen, waarschijnlijk maar half oprecht, dat de godsdienst niets te vrezen heeft van de filosofie, om de simpele reden dat de meeste mensen nooit een boek lezen: `En van degenen die lezen pakken er twintig een roman, tegen één die zich verdiept in een wijsgerig werk'.

Toen hij dit schreef, wist Voltaire nog niet dat hij weldra zijn eigen argumentatie onderuit zou halen, door het publiek te bestoken met filosofische romans en verhalen die veel gelezen werden en die beslist subversief hebben uitgepakt. Maar voordat het zover was, moest de dichter eerst zelf in een filosoof veranderen. Dat gebeurde tijdens zijn verblijf in Engeland, tussen 1726 en 1728, waarvan deze Lettres philosophiques de literaire weerslag vormen.

Verlichte spiegel

Engeland is in deze `brieven' de verlichte spiegel die Voltaire zijn landgenoten voorhoudt. Een land van vrijheid en tolerantie, waarin niemand ook de adel niet zich schaamt om handel te drijven, waar de wetenschap bloeit en de filosofie haar beperkingen kent. Tegenover Newton en Locke verbleken Descartes en Malebranche, betoogt Voltaire. Van Descartes kan hij weliswaar de rationele methode waarderen, maar in diens `systeem' ziet hij niets anders dan `een vernuftige roman'.

Dit tekent de praktische, nuchtere instelling van Voltaire. Het maakt een bijna Nederlandse indruk, inclusief de al dan niet gespeelde bekrompenheid die je ook bij hedendaagse columnisten (denk aan Jan Blokker) wel tegenkomt. Geen wonder dat Voltaire tijdens een bezoek aan de Republiek in 1722 op vrijwel dezelfde manier de lof van de Hollanders zong (tolerantie, vlijt, welstand) als vijf jaar later die van de Britten.

Alles draait bij hem om degelijke, typisch burgerlijke deugden, met nut als de centrale waarde. We moeten `nuttig [...] zijn voor onze medemens en voor onszelf', schrijft hij in het commentaar op enkele van Pascals Pensées, waarmee de Lettres philosophiques afsluiten. Tegen het pessimistische mensbeeld van deze `sublieme misantroop' stelt hij bijna programmatisch: `Ons bestaan is niet zo ongelukkig als sommigen ons willen doen geloven. Wie het universum ziet als een kerker, en alle mensen als misdadigers die op korte termijn zullen worden geëxecuteerd, denkt als een fanaticus'.

De jansenist Pascal was in zijn ogen zo'n fanaticus. Daar kwam enkel nodeloze ellende van, zoals door de geschiedenis overtuigend werd bewezen. Maar hoe meer Voltaire zich daarin verdiepte, des te meer zag hij zich gedwongen zijn aanvankelijke optimisme te matigen.

Overdreven illusies had hij overigens nooit gekoesterd. Al in een vroeg verhaal als `Micromegas' (1739) relativeert hij met behulp van twee reusachtige ruimtereizigers, afkomstig van andere planeten, de plaats van de piepkleine mens in het universum. Op zo'n schaal bezien wordt alles relatief, terwijl de gedachte dat het heelal er `enkel en alleen voor de mens' zou zijn door de beide aliens wordt ontvangen met een hilarische schaterlach.

In zijn romans en verhalen voerde Voltaire de filosofische ideeën ten tonele die hem sinds de Lettres philosophiques steeds meer in beslag namen. Alle destijds geliefde genres zette hij moeiteloos naar zijn hand. Zelfs de in de tweede helft van de eeuw opkomende sentimentaliteit ontbreekt niet, getuige het schitterende verhaal `Argeloos' (L'Ingénu), waarin we de hoofdpersoon en zijn vrienden uitbundig wenend aantreffen rond het sterfbed van een jeugdige geliefde.

Het verhaal zelf is nauwelijks sentimenteel te noemen; het geeft eerder, zoals gebruikelijk, een pedagogisch inkijkje in Voltaires denkwereld. Argeloos, een Huron-indiaan met Franse ouders, belichaamt de `nobele wilde', die in de Bastille (waarin hij via list en bedrog terecht is gekomen) door een oudere jansenist wordt opgevoed tot `mens'.

Voltaire waardeert dus de natuurtoestand, verstoken als zij is van vooroordelen, maar om waarachtig `mens' te worden blijven kennis en cultuur onontbeerlijk. Een aardig detail is dat Argeloos op zijn beurt de jansenist van diens sombere Pascaliaanse geloof verlost: de natuurlijke logica mag dan niet genoeg zijn, tegen de drogredenen van het `bijgeloof' kan zij wèl haar nut bewijzen.

`Argeloos' is, net als `Candide', komisch en tragisch tegelijk. Er valt veel te lachen, maar de mensheid staat er niet best voor, als alle beschreven onrecht en rampspoed kennelijk normaal zijn. Het kwaad lijkt zich comfortabel in de wereld te hebben genesteld.

Aardbeving

Meestal wordt Voltaires aandacht voor het kwaad gerelateerd aan zijn ontzetting over de aardbeving in Lissabon van 1755. Maar dat het kwaad hem ook al voordien bezighield, toont het verhaal over de `reizen van Scarmentado', dat al in 1753 zou zijn geschreven. In de vorm van burgeroorlogen, religieuze twisten, willekeur en vervolging blijkt het kwaad alomtegenwoordig. Nu is het alleen de mens zelf die de schuld draagt.

Uiteindelijk vond Voltaire dat laatste erger, ook na de catastrofe in Lissabon. Tegen een natuurramp valt nu eenmaal niet veel te doen, behalve het metafysisch optimisme nog een tandje terugzetten; de ellende die de mens aanricht, kan misschien worden verholpen.

In de laatste twee decennia van zijn leven heeft Voltaire zich vrijwel volledig hiervoor ingezet. Thuis in Ferney hielp hij zijn pachters en boeren, indachtig Candides slotsom dat het na alle loze speculaties hoog tijd werd om `de tuin te bewerken'; op het wereldtoneel bond hij de strijd aan tegen l'Infâme, de katholieke onverdraagzaamheid, die in 1762 een onschuldige protestantse burger als Calas op het schavot had gebracht en vier jaar later een jeugdige godslasteraar als de chevalier de la Barre op de brandstapel. Dat zulke dingen in zíjn tijd konden gebeuren, vond Voltaire onverdraaglijk, en met alles wat hij in huis had heeft hij zich ertegen gekeerd.

De nu vertaalde Filosofische vertellingen waren en zijn nog altijd Voltaires meest attractieve wapens. Het is waar dat ze in literair opzicht vergelijkbare beperkingen kennen als zijn filosofische inzichten. Naar psychologisch of anderszins intrigerende karakters zoekt men bijvoorbeeld tevergeefs; `de mens is geen raadsel', schreef hij al tegen Pascal, die er terecht heel anders over dacht. Maar wat daar aan humor, vaart, fantasie en, niet te vergeten, strijdlust tegenover staat, maakt bijna alles goed.

Voltaire: Filosofisch woordenboek. Vertaald en ingeleid door J.M. Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 597 blz. €19,90

Voltaire: Filosofische vertellingen. Vertaald en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 701 blz. €45,– (geb.)

Voltaire: Fransman in Londen. Brieven uit Engeland. Vertaald en van een nawoord voorzien door Jeanne Holierhoek. Wereldbibliotheek, 191 blz. €17,90