Het Hollandse landschap

In deze krant van 27 april staan op pagina drie een paar kaartjes van Nederland die u goed moet bewaren. Tenminste, dat raad ik u aan. Ze tonen hoe het er hier uit zal zien in 2030. Tegen die tijd zult u dit knipsel vinden, en dan kunt u het landsbestuur op zijn vooruitziende blik controleren. Het perspectief van nu biedt `ruimte voor sterke economische regio's' en `een mix van steden en landschappen'. Anders gezegd: `een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land.' Om dat te bereiken wil het rijk zich minder gaan bemoeien met de ruimtelijke ordening. De gemeenten en provincies krijgen meer vrijheid om te bouwen wat ze willen. Het kabinet heeft waargenomen dat `op verschillende plaatsen het landschap zichtbaar verrommelt'. Het nieuwe beleid moet deze trend ombuigen. Zo staat het er niet, maar zo wordt het in Den Haag genoemd. Krijgt het kabinet zijn zin, dan heeft het daarmee een culturele daad van de eerste orde voor zijn rekening genomen.

Het Nederlandse landschap is wereldberoemd. Het Deense, het IJslandse, het Portugese zullen op hun manier even mooi zijn, maar wereldberoemd zijn ze niet. Dat het onze dit wel is, danken we aan onze schilders, door de eeuwen heen. Daar bestaat een goed boek over, Land van lucht en water, Nederland gezien door de ogen van zijn schilders (1996), van Laurent Félix-Faure. Het begint met een schilderij van Esaias van de Velde uit 1662; de recentste dateren uit het einde van onze jaren zestig. Kunstenaars van alle stijlen en stromingen hebben door de eeuwen heen met succes hun talent op het Nederlandse landschap geprobeerd, en toen, een jaar of veertig geleden, is er geleidelijk de klad in gekomen.

Ik denk dat dit geen toeval is, want in dezelfde periode brak de grote moderne welvaart los en begon de nieuwe verkaveling van Nederland. Van tijd tot tijd werd groot alarm geslagen. Het zou een paar centen mogen kosten, maar wat ons overbleef zou gered moeten worden. Het sterkste voorbeeld op dit gebied is de bescherming van het Groene Hart. De economie eiste dat Nederland aansluiting zou krijgen op het Europese net van de Hoge Snelheids Trein. Daarvoor moest dan een nieuwe verbinding worden aangelegd dwars door het mooiste polderlandschap. Dat, zeiden alle verdedigers van mooi Nederland, staat gelijk met een doodsteek. Remco Campert, ook een onverdacht liefhebber van de natuur, schreef een column waarin hij verdedigde dat een trein die door een landschap rijdt ook heel mooi kan zijn. Er werd niet naar hem geluisterd. Besloten werd tot de tunnel onder het Groene Hart, negen kilometer lang, kosten toen 900 miljoen gulden, en nu zeker 100 miljoen euro meer.

De tunnel is in 2007 klaar. Intussen is het Groene Hart al niet meer wat het was toen tot de tunnel werd besloten. In de nieuwe nota van het kabinet staat dat de eertijds heilige grenzen verder worden `aangepast' – bij Utrecht, tussen Muiden en Weesp en bij Waddinxveen. Andere min of meer beschermde gebieden in de buurt worden aan verstedelijking prijsgegeven. Ik protesteer niet; ik stel vast.

Onlangs was Rem Koolhaas wat langer in Nederland. Hij nam de gelegenheid te baat voor wat sightseeing op het platteland. Wat, vroeg hij zich verbijsterd af, hebben jullie daar in godsnaam gedaan? Langs de snelwegen, langs de spoorbanen, aan de stadsranden, tot diep in de polders: dozen, niets dan dozen. Liggende dozen, rechtop of op hun kant staande dozen, fabriekjes, kantoren, loodsen, van Groningen tot Cadzand, van Den Helder tot Vaals, allemaal dozen.

Ja, wat moet hier nog een landschapsschilder? Of een industrieschilder? Want zware industrie kan op zichzelf ook prachtig zijn en navenante schilderijen veroorzaken. Denk aan de kolenmijnen, de staalfabrieken, de scheepswerven, de rangeerterreinen, de locomotieven van Herman Heijenbrock (1871-1948). Daar heb je het drama van de industriële revolutie, het zijn schilderijen die je ook kunt ruiken en horen. In België en het Roergebied staan nog wat overblijfselen uit die tijd; Hier is het meeste afgebroken. In Almelo heb je nog het ketelhuis met schoorsteen van een textielfabriek, maar of die relikwie tot een schilderij zou inspireren? Dat zou dan wel een heel droevig doekje worden.

We hebben ons landschap voor een goed deel bedorven. Dat is oud nieuws. Erger is dat we dit op een krenterige manier hebben gedaan, van verkaveling tot verkaveling. Pure lelijkheid kan op zichzelf iets groots hebben. Amerikaanse industriegebieden hebben een lelijkheid en een onherbergzaamheid die een kunstenaar tot een onvergetelijke prestatie kan brengen. De Franse cineast François Reichenbach met zijn film Amérique insolite. Schilderijen van Edward Hopper. Onze economische voorspoed van de afgelopen tien jaar heeft voornamelijk steriliteit veroorzaakt, een visuele onvruchtbaarheid, een ruimtelijk niks. En mijn voorgevoel zegt me dat deze nieuwe mix van het kabinet meer van hetzelfde zal zijn. Tot in 2030. Ik laat me verrassen.