Het genie is ingehaald

De nieuwe cd van Prince onderscheidt zich niet van kreukloze confectie. De invloed van zijn albums uit de jaren tachtig is groter dan ooit.

Sinds het begin van de jaren negentig verspreidde zich onder Prince-liefhebbers van het eerste uur meer dan eens een aarzelend optimisme. Bij verschijning van een nieuwe cd van Prince was er altijd wel ergens een recensent die schreef dat de come-back van het genie uit Minneapolis nu toch echt een feit was. Telkens bleek de hoop vergeefs. Een zwak album van Prince is nog altijd sterker dan menig doordeweeks werkstuk van de gemiddelde Amerikaanse funk- of hiphop-artiest, maar toch: Prince excelleerde al lang niet meer zoals in zijn hoogtijjaren, 1985-1990. Voor de bewonderaars was zijn inzinking raadselachtig. Hoe was het mogelijk dat de man die in zijn eentje in de jaren tachtig de popmuziek opschudde en vernieuwde met een energieke postmoderne mix van onverenigbaar geachte blanke en zwarte muziekstijlen nog geen tien jaar later was gekrompen tot een in herhaling vervallende studiotijger die niet alleen het contact met de nieuwste ontwikkelingen in de pop maar ook, en dat was funester, met zijn eigen muziek was kwijtgeraakt?

De meest verbreide veronderstelling voor die terugval was en is wel dat de ruzie met zijn platenmaatschappij Warner hem van zijn creatieve krachten had beroofd. Prince wilde begin jaren negentig na een reeks conflicten van platenmaatschappij wisselen, maar Warner hield zijn ster-act aan zijn contract, waarin was vastgelegd dat hij nog zes albums moest afleveren. Prince haalde vervolgens allerlei songs uit zijn archiefkast of liet wat jamsessies remixen tot een halfbakken funk-album. De artistieke verschraling liet zich onbedoeld samenvatten met de malle fratsen die hij met zijn naam uithaalde. Eerst doopte hij zich om tot een onuitspreekbaar Symbol, daarna werd het TAFKAP (The Artist Formerly Known as Prince).

Inmiddels is Prince bevrijd uit de ketenen van zijn werkgever en verscheen recentelijk Musicology bij het concurrerende Sony Music. En opnieuw viel te lezen dat Prince herboren zou zijn. Alles was terug: de speelsheid, de adembenemende virtuositeit, de onweerstaanbare funk en de Beatleske popliedjes. Deze keer bleef de lof niet beperkt tot een enkele jubelkreet; opmerkelijk veel vakjournalisten bleken het met elkaar eens: Musicology toonde aan dat Prince zijn oude niveau had hervonden. In deze krant was Jan Vollaard zelfs laaiend enthousiast: Prince blijft de meester van de moderne soulballade. Vollaard vergeleek zijn genialiteit met die van Frank Zappa – niet voor alle Prince-adepten een aanbeveling – en concludeerde: een wedergeboorte.

Nieuwsgierige opwinding

Ik voelde een nieuwsgierige opwinding en was bereid diep door de knieën te gaan voor Musicology. Het is me helaas niet gelukt. Akkoord, de titelsong waarmee de plaat opent, funkt onweerstaanbaar, maar wat er daarna gebeurt op Musicology is nog het beste te omschrijven met het woord dat je vroeger nooit in verband met Prince bracht: het nieuwe album is enorm degelijk.

Musicology bevat goed in het pak zittende liedjes maar de snit onderscheidt zich niet van kreukloze confectie. Prince is gedevalueerd tot een soort funk-equivalent van Bruce Springsteen. En zoals Bruce Springsteen nog steeds klinkt alsof Nirvana nooit heeft bestaan, zo heeft niemand Prince blijkbaar naar en ik doe een greep – Underworld, Beck, Tricky of Missy Elliot laten luisteren.

Prince klinkt op Musicology conservatief, op het reactionaire af. Alleen al dat monotone gehak van de veel te schel en schril klinkende drums. Alsof er iemand rechtstreeks uit de jaren tachtig is ingevlogen om de drumcomputer op regressie af te stellen. Hoe vervelend het ook is, het wordt tijd om onder ogen te zien dat Prince voorgoed is gaan behoren tot de leidsman van een voorbije epoche. Het beste wat je erover kan zeggen is dat het genie is ingehaald door de kinderen die hij heeft gebaard.

Dat laatste is al heel wat, aangezien het medio jaren negentig onder muzikanten taboe leek om je op Prince te enten. Maar alles wijst erop dat voor een nieuwe generatie musici, rappers en producenten Prince niet meer persona non grata is, maar een grootheid uit een tijd die zijzelf van horen zeggen hebben ver genoeg weg om met dezelfde onbevangenheid met zijn nalatenschap om te gaan zoals Prince zelf in de jaren tachtig omsprong met het erfgoed van Jimi Hendrix en de Beatles. R&B-artiesten lijken de blijvende hitpotentie van zijn liedjes te hebben herontdekt. Nu bewees Sinead O'Connor al zo'n vijftien jaar geleden dat een Prince-liedje gemakkelijk kon uitgroeien tot een monsterhit. De Prince-compositie `Nothing Compares 2 U' maakte van O'Connor in één klap een hitparade-artiest. Korter geleden was het Alicia Keys die een b-kantje van een single van Prince uit de archiefkist haalde: `How Come You Don't Call Me'. Keys toonde aan dat een door Prince zelf als routine-nummertje bedoeld liedje moeiteloos een hit kon worden.

Nervositeit

Maar dat is slechts één liedje. Belangrijker is de ingrijpende invloed die de Prince-albums uit de late jaren tachtig tegenwoordig lijken uit te oefenen op de avontuurlijkste muzikanten onder zowel rappers uit de VS, als dance-producers uit Europa. Om met die laatste categorie te beginnen: Simon Ratcliffe, die samen met Felix Burton onder de vlag Basement Jaxx kortgeleden een vierde cd uitbracht, Kish Kash, liet meer dan eens weten dat de postmoderne aanpak van Prince hem beslissend had beïnvloed: ,,Prince helped us to take dance music and combine with other forms, fusing black and white music.'' Wie zich erop concentreert, zal in Kish Kash inderdaad een sterk aan Prince verwante mengeling van muziekstijlen herkennen. In gejaagdheid en nervositeit doet Kish Kash denken aan Lovesexy, het meest ADHD-achtige album van Prince. Ratcliffe en Burton passen echter een nóg gedurfdere mix van stijlen toe: soul, flamenco, 2-step en zelfs ska en reggae worden door elkaar geklutst en, soms op maffe manier, maar altijd geraffineerd.

Nóg openlijker in de geest van Prince opereert het Amerikaanse duo Outkast op de ene helft van hun dubbelcd Speakerboxx / The Love Below uit 2003. De eerste cd van dat album bestaat uit tamelijk conventionele hardcore rap, gemaakt door rapper Big Boi. Maar de andere helft van het duo, André 3000, tekende voor de tweede cd, The Love Below. Voor Prince-adepten kan het niet anders of The Love Below zorgt voor een schok van herkenning. Dit is het album dat Prince na zijn meesterwerk The Sign O The Times (1987) zélf gemaakt had moeten hebben. Tot in detail opereert André 3000 in de traditie van The Sign O The Times met dezelfde mengeling van schmierende soul en aanstekelijke Beatle-pop. Ook de onderwerpen die André 3000 in de teksten aansnijdt zijn Prince-iaans, met op de eerste plaats wel de hilarische alleenspraak tot God, waarbij de Heer een lief meisje blijkt te zijn dat graag met André een avondje uit wil: God als sexy dating-partner. De schmierende falsetstem lijkt op sommige Outkast-liedjes als twee druppels water op die van Prince, en `She Lives in My Lap' is een direct vervolg op het misschien wel het mooiste Prince-nummer: `If I Was Your Girlfriend.' En wat te denken van `Hey Ya'? Hier wordt in de even hilarische als hitsige tekst met veel ironie en zelfspot een geiligheid verspreid die alleen maar kan zijn geïnspireerd door de vroegere meester van de geilneven: de jonge Prince van weleer. Tegenover de aanstekelijke en onweerstaanbaar energieke pop en funk op The Love Below steekt Musicology pijnlijk schraal af. Troostend is het wel voor wie destijds geloofde dat het genie van Prince eenmalig en onherhaalbaar was: André 3000 is de leerling die zijn meester lenig naar de kroon steekt. De beste Prince-plaat sinds jaren is al met al afkomstig van Outkast.

Alleen al dat monotone gehak van de te schel klinkende drums