De verborgen bedrading van de macht

Journalist Anthony Sampson analyseert al veertig jaar de samenstelling van de Britse elite. Hoe het netwerk van oude jongens is overvleugeld door de nieuwe rijken.

De tien rijkste inwoners van het Verenigd Koninkrijk zijn samen 36 miljard pond (52 miljard euro) waard, onthulde de Sunday Times deze maand in zijn jaarlijkse `Rich List'. Onder hen bevindt zich nog één edelman, de Duke of Westminster, die een paar hectare van de peperdure Londense wijken Mayfair en Belgravia bezit. De andere mannen en vrouwen in de toptien maakten hun fortuin betrekkelijk recent in olie, staal, kleding, bier, racewedstrijden met auto's en paarden, hotels en kartonnen verpakkingen.

Dat is geen nieuwe ontwikkeling: dankzij het wegvallen van nationale en financieel-economische grenzen in de laatste twintig jaar is een steeds sneller groeiende klasse van nieuwe rijke en superrijke Britten en buitenlandse belastingvluchtelingen ontstaan die de oude aristocratische rijkdom heeft overvleugeld. Dat is elders ook gebeurd, maar in het Verenigd Koninkrijk zijn de gevolgen daarvan diepgaand.

De concentratie van rijkdom in Londen en het zuidwesten, waar land al langer schaars is, heeft de inflatie van huizen- en grondprijzen verder opgejaagd. De kloof tussen arm en rijk wordt wijder: dankzij de ruimte, privacy en de vrijheid zich over de wereld te verplaatsen die de nieuwe rijken zich hebben verworven, kunnen ze hun levens gescheiden houden van de doorsnee Brit, en al helemaal van de allerarmste klasse van immigranten uit Azië en Afrika. En ten slotte hoeven ze zich nauwelijks zorgen te maken over linkse politici. Juist in Tony Blairs New Labour hebben ze een beschermer gevonden, die anders dan zijn socialistische voorgangers niet langer de `herdistributie van de welvaart' nastreeft, de belastingen laag houdt, de vakbonden in toom en die grote bedrijven en individuele zakenlieden vrij baan geeft.

Slechts een paar van de nieuwe rijken, zoals Lord Sainsbury, eigenaar van het gelijknamige supermarktimperium, is in publieke dienst: als staatssecretaris voor wetenschap. Sommigen zijn gulle gevers, zoals de Schotse sportkledingmiljonair Tom Hunter, die vorig jaar eenvijfde van zijn vermogen (een half miljard pond) schonk aan goede doelen. Maar in meerderheid hebben zij zich teruggetrokken buiten de maatschappij die hen in staat heeft gesteld rijk of nog rijker te worden. Anthony Sampson, die het bovenstaande uiteenzet in zijn nieuwe boek Who Runs this Place?, noemt hen daarom de nieuwe Edwardians, nazaten van de plutocraten die onder Edward VII, opvolger van koningin Victoria, een eeuw geleden opkwamen (en na de Eerste Wereldoorlog verdwenen).

Scalpel

De nieuwe rijken zijn maar één van de groepen Britten die de journalist Sampson heeft bestudeerd voor zijn onderzoek naar de vraag hoe de Britse macht is verdeeld. In zijn boek zet hij zijn scalpel ook in de advocatuur, de vakbonden, diplomaten, bankiers, pensioenfondsen, ambtenarij, parlementariërs, de premier, zijn ministers en de kring van spin doctors en andere ongekozen adviseurs, de politieke partijen, de grote bedrijven, de geheime diensten, de monarchie, de accountants en de journalisten. Sampson, biograaf van Nelson Mandela en auteur van standaardwerken over de olie- en andere industrietakken, werd veertig jaar geleden beroemd met Anatomy of Britain. Daarin inventariseerde hij voor het eerst de invloed van die verschillende beroepsgroepen en hij herhaalde zijn excercitie grofweg elke tien jaar: in The New Anatomy of Britain (1971), The Changing Anatomy of Britain (1982) en The Essential Anatomy of Britain (1992).

Het lichaam op Sampsons operatietafel staat bekend als het establishment. Maar in het net van de macht dat hij steeds op basis van honderden interviews aan het licht brengt, blijken de lijnen elke tien jaar anders te lopen. In 1962 werd de oudste democratie op aarde in praktijk bestuurd door `mannen van wie ik nog nooit heb gehoord': een old boys' network van ambtenaren, rechters met pruiken, bankiers, officieren, bisschoppen en erfelijke Lords die naar dezelfde scholen en universiteiten waren geweest, dezelfde clubs bezochten en aan niemand verantwoording hoefden af te leggen. Samengevat in Sampsons paradox: `de meest gerespecteerde Britse instellingen zijn degene die het meest ongevoelig zijn voor democratische principes': het koningshuis, de rechterlijke macht, de strijdkrachten, het Foreign Office en zelfs de BBC.

Veertig jaar later spelen de `oude machthebbers' op het oog een kleinere rol. Eton en `Oxbridge' zijn geen voorwaarde voor succes en carrière. Diplomaten doen vooral uitvoerend werk voor grote bedrijven. De premier bepaalt het buitenlands beleid. De kerk is: heel veel lege banken. De monarchie wordt steeds meer een toeristenattractie. De staatsbedrijven zijn geprivatiseerd. Geen bankier kan nog autonoom beslissingen nemen. En de BBC moet overleven in een jungle van kabel- en satellietzenders.

Maar Sampsons conclusie is niet wezenlijk anders: het democratisch gehalte van de Britse samenleving is nog steeds te klein. Want de oude elite is vervangen door een nieuw politiek-economisch establishment. Het zijn `de meesters van de markt die persoonlijke verantwoordelijkheid ontlopen en elkaar de bal blijven toespelen. Ze kunnen hun invloed laten gelden in opiniepeilingen, verkoopcijfers, omzetten en winst, zonder te letten op ethiek of de maatschappij die ze helpen vormen' en waarbij de `waarde van publieke dienstbaarheid erodeert'. Het belangrijkste politieke knooppunt is niet langer het parlement, maar de premier en zijn kring, enkele sleutelministers en – in het nieuwe terreurtijdperk – de geheime diensten. Juist het Hutton-onderzoek na de dood van wapengeleerde David Kelly (dat net op tijd kwam voor Sampsons boek) heeft meedogenloos onthuld hoe de `verborgen bedrading' nog volop in bedrijf is.

Spoorwegen

Sampson illustreert de `Wet van de Onbedoelde Gevolgen': het vrijmaken van de markt baarde nieuwe economische machthebbers. De goedbedoelde, maar half-doorgezette democratisering van het Hogerhuis joeg de (meeste) erfelijke Lords weg, en maakte de weg vrij voor politieke benoemingen. Hervorming van het onderwijs leidde tot meer bureaucratie, de terreur van de cito-toets en een dwangbuis voor de academie. De reddingsoperatie van de spoorwegen heeft de facto gevoerd naar hernationalisatie. Alle multiculturele en economische dynamiek `aan de basis' kan volgens Sampson niet verhullen dat het Verenigd Koninkrijk `aan de top een van de meest gecentraliseerde landen van Europa is geworden'.

Het is geen boek om vrolijk van te worden. Sampson, `politiek liberaal en cultureel conservatief', lijkt zelf soms nostalgisch terug te verlangen naar zijn oude establishment, dat, bij alle geslotenheid, tevens een , `netwerk van liberaal-georiënteerde mensen [was], dat als tegenwicht fungeerde voor de uitwassen van autocratische en kortzichtige regeringen'. De centralisatie heeft geleid tot een vervolg op zijn paradox: juist de instellingen waarop de premier de minste invloed heeft, genieten een nieuw vertrouwen van de Britten: rechters die de regering de les lezen, militairen en diplomaten die het Irak-beleid kritiseren, prins Charles als kruisvaarder tegen genvoedsel, en nog steeds de BBC.

Soms lijkt Sampson ál te pessimistisch. Zo wijdt hij nauwelijks een woord aan de nieuwe autonomie voor Schotland, Wales en Noord-Ierland, óók het resultaat van zeven jaar New Labour. Dankzij de Europese integratie, waarvoor de premier ondanks zijn eurosceptische ambivalentie de deur heeft opengezet, reizen alle Britten vrijer en goedkoper, werken ze in betere omstandigheden, en zijn hun rechten eerder toe- dan afgenomen. Het had een extra rechtvaardiging kunnen zijn voor de hoop waarmee hij afsluit: dat het parlement, het enige lichaam dat van en voor alle Britten is, inderdaad op weg is `om terug te keren naar zijn traditionele rol als verdediger van burgervrijheden en waakhond tegen te arrogante regeringen in een tijd van echt gevaar.' Zelfs Blair is er na zijn recente botsingen in het parlement van doordrongen dat de burger het laatste woord heeft.

Anthony Sampson: Who Runs This Place? The Anatomy of Britain in the 21st Century. John Murray, 418 blz. €38,20