Bezoedeld verleden

`Ik zou graag willen dat dit boek uitsluitend door diegenen gelezen wordt die ook Harmonia al gelezen hebben', schrijft Péter Esterházy in het voorwoord van Verbeterde editie, een noodgedwongen appendix bij zijn monumentale werk Harmonia Caelestis. Esterházy liet zich in het verleden, als beoefenaar van experimentele literatuur, sterk door de verschijningsvorm van de taal leiden – de vrije associaties met woorden die hij had opgeschreven konden zijn verhaal een volstrekt andere wending geven, waarover hij zelf zegt: `mijn teksten weten meer dan ikzelf'.

Met het oorspronkelijk in 2000 verschenen Harmonia keerde hij echter terug naar een betrekkelijk realisme. Een beknopte geschiedenis van Hongarije in de vorm van een historische roman over de familie Esterházy, tot de komst van het communisme eeuwenlang behorend tot de invloedrijkste aristocraten van het land. In deel I van Harmonia passeerden verre voorouders de revue, terwijl in deel II, waarop de `verbeteringen' betrekking hebben, de persoonlijke geschiedenis van het gezin waarin Péter Esterházy in 1950 wordt geboren, aan bod kwam. Dit deel was ook een eerbetoon aan zijn vader, van wie de titel en rang van graaf wél, maar zijn aangeboren edelmoedigheid niet door het egalitaire systeem kon worden afgepakt.

Helaas voor Esterházy blijken zijn teksten meer voorspellende waarde te hebben dan hem lief is. In Stroomafwaarts langs de Donau (1991) – net na de omwenteling – had hij al opgemerkt: `het socialisme was geen water dat de maatschappij als een hond van zich afgeschud heeft, omdat je immers nooit kunt weten tot waar het water duurde en waar de hond begon'. Harmonia Caelestis was nog maar net af toen Esterházy hoorde van het bestaan van een aantal dossiers bij het Historisch Instituut, het Hongaarse `stasi-archief', met betrekking tot zijn familie. Tot zijn grootste schrik ontdekte hij dat zijn eigen vader ruim twintig jaar lang informant van de geheime dienst was geweest.

Een mens is maar heel beperkt in zijn vermogen grote trauma's te verwerken. Esterházy doet in Verbeterde editie wat een gewone sterveling in een dergelijk geval ook zou doen: hij schrijft de pijn van zich af. Wel is die pijn om allerlei redenen groter dan bij de doorsnee lotgenoot. Niet alleen is het een persoonlijk en onherstelbaar verlies van vertrouwen – Mátyás Esterházy was al dood, de vraag `waarom' kon niet meer worden gesteld –, maar het is ook, en met terugwerkende kracht, het verlies van Péter Esterházy's zelfverzekerdheid bij zijn publieke stellingname, een zelfverzekerdheid die een natuurlijk gevolg was van een onbezoedeld verleden.

Ondanks zijn ontreddering heeft Esterházy met Verbeterde editie weer literatuur geschapen. Dit drama op het snijvlak van het particuliere en het universele leent zich daar goed voor, bovendien zet Esterházy een voortreffelijke compositie neer. Omdat hij de verslagen van de informant niet mag kopiëren, neemt hij de belangrijkste passages eruit met de hand over – deze staan in het boek in schaamrood gedrukt. Tijdens dit werk observeert hij zichzelf nauwgezet en stelt al zijn emotionele en verstandelijke reacties, de ontdekte verbanden (zie Harmonia) en de nieuwe conclusies onmiddellijk vast, om alles nog twee keer door te lezen en van nog meer commentaar te voorzien – een werkwijze die aan Het fiasco van Imre Kertész doet denken. Kennelijk is dit veelvuldig heen en weer spiegelen van beelden ook voor Esterházy de ultieme mogelijkheid om vat te krijgen op het warrige verleden dat communisme heet.

Péter Esterházy: Verbeterde editie. Vertaald uit het Hongaars door Robert Kellermann. De Arbeiderspers, 320 blz. €24,95