Alle films van Charlie Chaplin op dvd

`The Chaplin Collection' is een monument: de reeks dvd's bevat alle korte en lange, bekende en onbekende films van Charles Chaplin, aangevuld met unieke extra's en documentaires. Dochter Geraldine Chaplin zet zich in voor de herwaardering van haar vaders werk. ,,Ik heb de naam Chaplin altijd schaamteloos gebruikt.''

In The Dreamers, de laatste film van Bernardo Bertolucci, ontdekken twee filmgekken elkaar. Ze kennen de raarste films, ze herkennen in elkaars gebaren scènes uit hun favorieten en ze verheugen zich in elkaars smaak. Tot de één zegt dat Buster Keaton een belangrijker filmmaker was dan Charles Chaplin. Dan is het vechten.

Dit is niet de plaats om dat gevecht te beslechten. Het volstaat te zeggen dat Charlie Chaplin de grootste filmster aller tijden is. Groter dan Buster Keaton, groter dan Greta Garbo, Robert Redford, Julia Roberts, Tom Cruise of wie dan ook. Een paar jaar na zijn debuut voor de camera in 1914 stonden in Amerika kartonnen Chaplins voor de bioscoop, met de tekst `ik ben hier vandaag' – dat was genoeg voor het publiek. Hij ging regelmatig op tournee en werd dan omstuwd door massa's mensen, tot ergernis van de nazi's toen Chaplin in 1931 Berlijn bezocht en een uitzinnige menigte de `weerzinwekkende joodse acrobaat' op de schouders nam. Werkelijk de hele wereld kende en kent Charlie Chaplin en hij kan in dit opzicht eigenlijk alleen vergeleken worden met Mickey Mouse of Donald Duck. Beter met Donald Duck dan met Mickey Mouse, trouwens.

Sinds vorig jaar worden zijn films, kort en lang, op dvd uitgebracht in The Chaplin Collection, een monumentaal project. Deze maand kwam The Chaplin Revue in Nederland uit, een dvd met zeven korte films en de overvloedige extra's die van de reeks een monument maken. De kijker kan niet alleen genieten van relatief onbekende Chaplin-films als Pay Day of Sunnyside, maar ook van een inleiding op dit werk door biograaf David Robinson en documentaires en ander beeldmateriaal die tijdens of rond het werken aan deze films werden opgenomen.

Op alle dvd's staat bijzonder materiaal: het bezoek dat Winston Churchill, toen nog geen premier, bracht aan de set van City Lights, de kleurenopnamen van Charlies broer Sidney op de set van The Great Dictator (zodat we kunnen zien dat Chaplin de nazi's in rode operettebroeken had gestoken), Jackie `the Kid' Coogan die een spontaan dansje opvoert in de studio.

Het enige dat echt ontbreekt, is een systematisch onderzoek naar de manier waarop Chaplin zijn films opnam en zijn onnavolgbare visuele grappen uitvoerde. Daarvoor zijn de inleidingen van Robinson op elk van de dvd's te kort en, hoe boeiend ook, te oppervlakkig. Als Charlie Chaplin op een steiger van een bouwplaats in razend tempo opgegooide bakstenen opvangt met zijn handen, in zijn knieholte, onder zijn kin, denk je: het zal wel achterstevoren zijn opgenomen, maar wéten doe je het niet. Je weet het wel als je toevallig ooit de uitputtende documentaire The Unknown Chaplin uit 1982 kent. Daarin liet de Amerikaanse filmhistoricus Kevin Brownlow zien hoe de beroemdste scènes tot stand waren gekomen, zoals de dans-met-de-broodjes en de man-wordt-kip uit The Goldrush. In de Goldrush-dvd uit deze reeks wordt ons vooral verteld hoe knap die scènes zijn en hoe uitzinnig ze het publiek maakten, met name de broodjesdans, zodat in verschillende bioscopen de film moest worden stopgezet en teruggespoeld om deze scène te herhalen.

De broodjesdans voert de arme goudzoeker op als hij in zijn hut droomt van een etentje met vier knappe meisjes. Hij steekt vorken in twee knapperig puntjes en het zijn op slag twee benen met spitzen. Hij laat zijn hoofd ietsje zakken en wervelt dan met de vorken van links naar rechts in een dansje. De broodjesdans is een oud idee, volgens de begeleidende documentaire wel degelijk van Chaplin, maar uitgevoerd door Fatty Arbuckle, een van zijn medesterren bij de studio van Mack Sennet. Die imponeert een barmeisje met een broodjesdans in The Rough House uit 1917. Het verschil is enorm. Arbuckle laat twee vorken en twee broodjes een beetje waggelen over tafel en trekt er een leipe blik bij. Geintje. Chaplin maakt met zijn schouders kleine gebaren zodat de benen werkelijk een lichaam lijken te dragen en hij kijkt er behaagzuchtig bij, precies zoals het ballerinaatje zou doen wier benen hij verbeeldt.

De scène is typisch Chaplin: elegant, briljant en enigszins pathetisch. Voor sommige filmgekken reden genoeg om Chaplin terzijde te schuiven: te lieflijk, te behaagziek, te perfect. Onzin, natuurlijk. Pathos is maar de helft van het karakter van de kleine zwerver met zijn plaksnor, zijn bolhoed en zijn wandelstok. De andere helft is een verscheurend overlevingsinstinct, de brandstof van zijn beste grappen.

De kleine zwerver van Charlie Chaplin is de wolf die de mens de mens is. Een zorgvuldig vermomde wolf, om beter te kunnen overleven. Hij draagt een driedelig pak, of wat daarvan over is, en hij beheerst de manieren die daarbij horen. Als de zwerver van de honger zijn schoen moet opeten, bereidt hij die als een Franse chef-kok. Als hij een sigarettenpeukje uit een sardineblikje pakt, doet hij eerst zijn halve handschoenen uit om met lange vingers de lekkerste uit te zoeken. Als hij rijk is geworden, trekt hij twee jassen over elkaar aan. Maar als hij ze aan een bediende heeft gegeven, krabt hij als een luizige hond op zijn rug.

In elke Chaplin-gedaante schuilt een dier. Als hij, nu eens keurige burgervader, met zijn gezin op weg naar huis, in A Day's Pleasure, wordt aangehouden door twee agenten, krijgt hij ruzie met ze. Het eindigt ermee dat zij in een laag teer vastplakken en dat hij met een achteloos gebaar van zijn voeten zand over hen heen werpt: dood en begraven. In The Great Dictator roept hij als Führer Hynkel zijn secretaresse binnen en begint als een geil zwijn te knorren. Zelfs in de hemel, in een droomscène uit The Kid, gaat hij nog als een vliegende hond achter een loops engeltje aan.

Zijn overlevingsinstinct doet hem aanvallen op etensresten, vrouwen bespringen, zwakkeren pijnigen en sterkeren uit de weg gaan. In een van de eerste scènes in City Lights wandelt de zwerver door de stad. Hij steekt tussen auto's door de straat over en stuit op een motoragent. De agent staat met zijn rug naar hem toe voor het stoplicht, hij ziet Chaplin niet. En wat dan nog? De zwerver heeft niets gedaan. Toch verandert Chaplin meteen van koers, stapt aan de ene kant een auto binnen en aan de andere kant er weer uit.

Dat hij aan die andere kant begint te minnekozen met een blind bloemenmeisje, ja, dat is de pathetiek van Chaplin die is ingehaald door de filmgeschiedenis. Maar dat vanzelfsprekend harde, dat overleven in een wereld die een losjes vermomde jungle is, dat blijft onovertroffen.