Olierijkdom kan Tsjaad nog armer maken

Tsjaad, al jarenlang een van de armste landen ter wereld, staat dankzij de olie voor een economische metamorfose. Om te voorkomen dat de nieuwe rijkdom tot milieuvervuiling en corruptie leidt, heeft de Wereldbank de regering onder curatele gesteld. ,,Het is een gok.''

Wie in N'Djamena tegen het einde van de dag goed oplet, kan waarnemen hoe het eventjes lijkt of er een autofile ontstaat. Maar dat is dan ook de enige aanwijzing dat Tsjaad binnenkort radicaal gaat veranderen door zijn nieuwe olie-inkomsten. In de suffe hoofdstad van dit Centraal-Afrikaanse land wordt het straatbeeld op de centrale Avenue Charles de Gaulle bepaald door mannen in lange gewaden en tulbands die op hun brommertjes door zandwolken tuffen. Zij tanken bij de kruidenier, die benzine verkoopt in glazen literflessen.

Tsjaad was in 1900 een van de laatste gebieden die de kolonisten innamen. Geen westerse mogendheid zag het belang in van dit land dat zich uitstrekt over de Sahara, de Sahel en de zuidelijke savannes. Een eeuw later heeft zelfs de ontwikkelingslobby zich niet over het land ontfermd. ,,Als je hier een grote donorbijeenkomst organiseert, komen er slechts drie vertegenwoordigers opdagen: een Franse diplomaat, iemand van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Wereldbank'', zegt een eenzame hulpverlener. Vergelijk dat met landen in de regio zoals Burkina Faso en Mali, die eveneens in een eindeloze zandbank liggen: dáár staan donorlanden te dringen om hun geld te spenderen. Tsjaad kan ook zijn buitenlandse bedrijven niet vasthouden: vandaag werd bekend, dat Heineken zich er uit terug trekt.

Tsjaad is een van de armste landen ter wereld. Tachtig procent van de bevolking leeft beneden de armoedegrens, de helft van de acht miljoen inwoners kan lezen noch schrijven en de gemiddelde levensverwachting bedraagt 47 jaar. De enige exportproducten zijn koeien en katoen. Sinds de onafhankelijkheid in 1960 woedde er 23 jaar lang een burgeroorlog. Geen enkel buurland, noch de toenmalige Organisatie van Afrikaanse Eenheid, noch voormalig koloniaal moederland Frankrijk, kon deze strijd bedwingen. De krijgsheren en plunderaars hadden het jarenlang voor het zeggen. Een hopeloos land.

Toch staat Tsjaad aan de vooravond van een metamorfose. Het zal dit jaar de hoogste economische groei ter wereld kennen: rond de veertig procent. Buitenlandse oliemaatschappijen deden er in 1999 de grootste eenmalige investering ooit gedaan in Afrika. En de Wereldbank stak er zijn nek uit door voor het eerst in zijn geschiedenis geld te steken in een olieproject. Door de betrokkenheid van de Wereldbank moet het project in Zuid-Tsjaad het eerste in Afrika worden dat niet het milieu vervuilt, niet tot endemische corruptie leidt en niet de bevolking armer maakt. Tsjaad is een testcase geworden of de valkuilen die horen bij oliewinning in arme landen vermeden kunnen worden.

Jerome Chevallier sluit in N'djamena het raam van zijn kantoor voor een opkomende zandstorm. Hij draagt bij de Wereldbank de verantwoordelijkheid voor het project. ,,Het is een gok'', beaamt hij. ,,Het ligt controversieel binnen de Wereldbank.'' Zonder de Wereldbank was het project niet van de grond gekomen. Oliemaatschappijen twijfelden aan de rentabiliteit en vreesden voor actiegroepen die het opnemen voor milieu en bewoners in de ontginningsgebieden.

Oliewinning heeft Afrikanen doorgaans niet rijker, maar armer gemaakt. In Angola hielden de inkomsten jarenlang de burgeroorlog gaande, in Nigeria leidden ze tot gigantische corruptie en ontregeling van de economie, en in landjes als Gabon en Equatoriaal Guinée houden ze dictatoren in het zadel. Een zegen werd een vloek.

Al die negatieve invloeden moeten in Tsjaad vermeden worden. ,,Het grootste probleem vormt het zwakke overheidsapparaat'', zegt Chevallier. ,,Voor een ministerie in Tsjaad dat nog niet in staat is een begroting op te stellen, valt het moeilijk om verantwoordelijkheid te dragen voor een multi-miljarden olieproject.'' Een zwakke overheid is ook een afhankelijke overheid: vorig jaar kreeg Tsjaad nog zeventig procent van zijn inkomsten van donoren. Dat gebrek aan zelfstandigheid gebruikte de Wereldbank om strenge voorwaarden af te dwingen.

De bemoeienis van de Wereldbank is een unicum. De eerste aanwijzingen voor olie in het zuiden van Tsjaad dateren van begin jaren zeventig. Het olieveld bleek echter beperkt en de kwaliteit niet bijster goed. Bovendien is de afstand naar een exporthaven lang. Daarom werd er jarenlang veel gepraat maar kwam er niets van de grond. Buitenlandse oliemaatschappijen kochten aandelen, maar verkochten ze weer.

Door de toenemende instabiliteit van het Midden-Oosten is de Afrikaanse olie echter inmiddels wel degelijk in de belangstelling komen te liggen. Amerika haalt momenteel 17 procent van zijn oliebehoeften uit Afrika, maar wil dit percentage opvoeren tot 25 procent in 2015. Tsjaad past in die strategie. Het Amerikaanse Exxon/Mobil nam met 40 procent het grootste aandeel in het consortium in Zuid-Tsjaad, gevolgd door het Maleise Petronas met 35 procent en Chevron/Texaco 25 procent. De lening van 240 miljoen dollar van de Wereldbank betekende het groene licht voor het project.

De Wereldbank verkeerde in een dilemma: de bank stond onder Amerikaanse druk, maar als instelling voor ontwikkeling weet ze hoe oliewinning tot onderontwikkeling kan leiden. Daarom legde de Wereldbank een eisenpakket op tafel bij de Tsjadische regering van Idriss Déby, een krijgsheer die zich in 1990 vanuit de woestijn in het noordoosten een weg naar de macht in N'djamena had gevochten. Een uitzonderlijke overeenkomst rolde uit de onderhandelingen: de regering moet 80 procent van de overheidsinkomsten uit de olie besteden aan sociale projecten (waarvan 5 procent in de regio waar de olie wordt gewonnen) en 10 procent opzij zetten voor een fonds waaruit toekomstige generaties mogen putten. Nooit eerder liet een Afrikaanse regering zich zo onder curatele stellen.

De regering deed eveneens een kniebuiging naar het consortium: ze ging akkoord met 12,5 procent van de inkomsten. De rechtvaardiging voor dit lage percentage is de grote investeringen die nodig waren: in totaal 3,7 miljard dollar waarvan 2,2 miljard voor de aanleg van de 1080 lange, ondergrondse oliepijplijn door Kameroen naar zee. Met een dagelijkse productie van 225 duizend vaten per dag gaat Tsjaad in de komende 25 jaar na aftrek van leningen onkosten een geschatte twee miljard dollar verdienen.

De oliewinning in Nigeria leidde tot beschadiging van akkers en kreken, waardoor het bestaan van boertjes en vissers verbleekte. De allerarmste bewoners van Nigeria wonen in de gebieden waar het zwarte goud naar boven komt. Onvrede daarover leidde tot sabotage van de operaties van de oliemaatschappijen en de overheid en tot moorddadige stamconflicten. De Wereldbank wil een dergelijke sociale crisis in Zuid-Tsjaad voorkomen, daarom moeten de oliemaatschappijen zich beter leren gedragen.

Exxon/Mobil heeft het allemaal tot in de details bijgehouden de afgelopen jaren: sinds in 2000 een aanvang werd gemaakt met de aanleg van de pijplijn werden 4.300 consultatiebijeenkomsten gehouden met 163.000 bewoners in de zuidelijke oliegebieden. Voor het kappen van iedere mangoboom voerden de oliemaatschappijen uitgebreid overleg met de eigenaar. In totaal werd ter waarde van 6,3 miljoen dollar in Tsjaad aan compensatie betaald. Ieder dorpje kreeg cadeautjes toegezegd, in de vormen van scholen, klinieken, vrouwen- en aidsprojecten. En om actiegroepen tevreden te houden stellen commissies bestaande uit internationaal vermaarde politici voor de Wereldbank rapporten samen en volgen op de voet de milieu- en sociale aspecten van het olieproject.

In de dorpjes en stadjes in het zuiden langs de onverharde wegen van rode aarde twijfelen de bewoners of het door Exxon/Mobil `Beloofde Land' er zal komen. Op hun akkertjes staan elektriciteitspalen ten behoeve van de oliewinning, maar in hun huizen bleef het donker. Dorpshoofden vragen zich af wanneer de toegezegde scholen en klinieken komen. De huren, de misdaad, de voedselprijzen en het aantal prostituees zijn toegenomen, maar niet de welvaart.

Is het gelukt op de valkuilen te vermijden? Gilbert Maoundondoji is hoofd van een Tsjadische mensenrechtenorganisatie en van een onafhankelijke onderzoeksgroep naar het olieproject. Hij schudt het hoofd. ,,De Wereldbank heeft zich zand in de ogen laten strooien'', meent hij. ,,Tijdens de onderhandelingen over de leningen vier jaar geleden stelde president Déby zich mild op, maar sinds de olie in oktober is gaan stromen, gedraagt hij zich heel anders.'' Gilbert praat over toenemende repressie van de politieke oppositie, intimidatie van mensenrechtenactivisten en een politieke executie in december.

Als de Wereldbank had gedacht het Tsjadische regime van de voormalige krijgsheer met de olie als drukmiddel te kunnen hervormen, is dat mislukt. Déby liet zich in 2001 bij frauduleuze verkiezingen herkiezen en wil de grondwet wijzigen zodat hij nog langer kan aanblijven. In 2000 had hij een bonus van 25 miljoen dollar ontvangen van de oliemaatschappijen en begon deze onmiddellijk te besteden voor de aankoop van wapens. ,,Afgaande op dit gedrag van de regering ben ik pessimistisch'', concludeert Gilbert Maoundondoji.

Op papier lijken de afspraken waterdicht. Een commissie van negen Tsjadische burger- en religieuze leiders (onder wie de broer van Déby) zal toezien op de besteding van de inkomsten. Corruptie lijkt onmogelijk. De opbrengst van het project gaat naar een rekening van de City Bank in Londen, zodat iedereen kan zien welk bedrag de regering ontvangt alvorens het naar N'djamena wordt overgemaakt. Gilbert Maoundondoji is achterdochtig. ,,Wie weet hoeveel olie er precies wordt geëxporteerd?'', vraagt hij zich af. ,,We weten alleen hoeveel schepen er vertrekken, maar niet hoeveel

olie ze vervoeren. We weten ook niet hoeveel van het gas dat vrijkomst bij de winning, wordt gebruikt voor consumptie in Tsjaad. Ik heb er geen enkel vertrouwen in dat de gemaakte afspraken door de regering zullen worden nagekomen.''

,,Gelukkig hebben we nog een knuppel om mee te slaan'', zegt Jerome Chevallier van de Wereldbank. ,,We beschikken over sanctiemiddelen: we kunnen altijd nog donorhulp intrekken.''

Met de te verwachten olie-inkomsten van ongeveer tachtig miljoen dollar, plus de belastingen die de oliemaatschappijen betalen, zal de economie dit jaar tussen de 30 en 40 procent groeien. Volgend jaar zal er op de Avenue Charles de Gaulle misschien wel een echte file staan. Dat geldt in Afrika als vooruitgang. Maar in Tsjaad is alles relatief. Want de regering zal voor 40 procent afhankelijk blijven van donorgeld. En de Avenue Charles de Gaulle is nog steeds de enige hoofdstraat van N'djamena, zonder straatverlichting en met een open riool.