Efficiënt onderwijs

Volgens een rapport van de Onderwijsraad is de bureaucratie in het onderwijs van basisschool tot universiteit sinds 1980 sterk toegenomen. Onthutst wordt vastgesteld dat de overheidsbijdrage per student per jaar aan universiteiten voor de verzorging van hun wetenschappelijk onderwijs van 1980 tot 2000 met meer dan 30 procent is gedaald. Verbaasd constateert men dat er de afgelopen 20 jaar dus een enorme efficiencyverbetering bij universiteiten heeft plaatsgehad. Inderdaad, een zeer opmerkelijke prestatie. Spijtig merken de onderzoekers op dat in diezelfde periode de budgetten voor studiefinanciering en de OV-studentenkaart wel zijn toegenomen en dat het openbaar vervoer kennelijk belangrijker gevonden werd dan het onderwijs.

Het rapport doet dan een poging uit de budgettoewijzing aan universiteiten te berekenen hoeveel van het daar uitgegeven geld als `primaire onderwijsbestedingen' en hoeveel als `secundaire onderwijsbestedingen' gezien moet worden. Men probeert hiermee te achterhalen wat de `directe kosten' zijn die gemaakt worden ten behoeve van het onderwijs, met andere woorden, kosten die direct toerekenbaar zijn aan het onderwijs, en wat de `indirecte kosten' zijn, `de overhead'. Dat lukt uiteraard niet, want universiteiten ontvangen al jarenlang het overheidsgeld zonder enige oormerking: zij mogen zelf bepalen hoe zij dat geld het beste kunnen inzetten.

Vervolgens houden de onderzoekers enkele jaarrekeningen van universiteiten tegen het licht om meer te weten te komen over de kostenstructuur van die universiteiten. Die jaarrekeningen worden volgens richtlijnen van het ministerie van OC en W opgesteld; dus er staat van alles en nog wat in, maar geen overzicht van directe en indirecte kosten. Daarom komen de onderzoekers met eigen niet onderbouwde vooronderstellingen. Zo nemen ze gemakshalve aan dat het universitaire personeel de helft van zijn tijd verdoet met andere zaken dan onderwijs en onderzoek. Enkele (tover)formules later blijkt dan dat aan een universiteit `de secundaire onderwijsbestedingen' (de indirecte kosten dus) meer dan de helft van de totale onderwijsuitgaven bedragen. Geen verrassing dus, want vooronderstellingen die je ergens in een berekening stopt komen er onverbiddelijk ook zo weer uit.

Maar hoe zit het dan wel met die directe en indirecte kosten bij een universiteit? Gelukkig beschikt de financiële administratie van een universiteit over meer cijfers dan die welke in de jaarrekening terechtkomen. Op basis daarvan blijkt dat van iedere 100 euro die op onze Nijmeegse universiteit worden uitgegeven 49 euro betrekking hebben op de directe kosten van het onderzoek en 30 euro op de directe kosten van het onderwijs. Daarnaast wordt nog 2 euro uitgegeven aan studentenvoorzieningen, 1 euro aan studentenwerving en communicatie, 3 euro aan bestuur, beheer en administratie, en nog eens 15 euro aan ons academisch ziekenhuis.

Dat zijn geen cijfers die een logge bureaucratie suggereren, maar veeleer een uiterst productieve en gestroomlijnde organisatie.

Ir. R.J. de Wijkerslooth is voorzitter van het College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen