Bestuurders als huurlingen

Wim Kok draait zich als commissaris van ING in de moeilijkste bochten. Niet zo lang geleden bestempelde hij bestuurdersbeloningen als exhibitionistische zelfverrijking, en nu moet hij verdedigen dat de toch al niet kinderachtige salarispakketten van zijn bestuurders verder omhoog moeten. Vroeger had hij het over salarissen zonder enige objectieve vergelijking, zegt hij, maar nu is er een ,,onafhankelijk onderzoek waaruit bleek dat bij ING een substantiële achterstand is ontstaan''.

Hij gaat daarmee ervan uit dat er een transparante, commodity-achtige wereldmarkt is voor topmanagement, vergelijkbaar met die van ruwe olie of aardappeltermijncontracten. Het beste product gaat naar de hoogste bieder, en wie minder betaalt krijgt minder kwaliteit. De implicatie is ook dat als ING zijn topspelers niet beter beloont, zij zich dan op stel en sprong zullen laten headhunten voor een lucratiever toppositie in Hartford of Omaha. Net zoals een voetbalclub op de vrije transfermarkt moet bieden om een sterverdediger of -aanvaller te krijgen of te houden.

Het is wel aardig om ook een andere vergelijking te maken, met de markt van sprekers voor congressen en seminars. De Volkskrant had daar laatst een interessant artikel over. Het blijkt dat een Nederlandse topper voor een spreekbeurt 8.000 euro krijgt. Wie dat eens per week doet heeft een goed belegde boterham en kan de hypotheek op een aardig huis betalen. Maar hij blijft een kleine krabbelaar in vergelijking met Amerikaanse topsprekers, want die vragen voor een verhaaltje van anderhalf uur 100.000 dollar (Al Gore) of 250.000 dollar (Bill Clinton). Plus reis- en verblijfkosten.

Waarom trekken de Hollandse topsprekers hun eisen niet op? Waarom zeggen Midas Dekkers, Tom van 't Hek en Arnold Heertje niet dat ze voor minder dan 50.000 euro de deur niet uit komen? Simpel: dan vraagt niemand ze meer. Waarom verwijzen ze dan niet naar de Kissingers en de Schwarzkopfen die zoveel meer krijgen? Ook simpel: omdat het antwoord voor de hand ligt. ,,Dan ga je toch in Amerika je praatjes verkopen?'' Het punt is dat niemand daar geïnteresseerd is in wat ze te zeggen hebben. Dat is typisch Hollandse kost voor Hollandse oren. En zelf willen ze ook niet naar Amerika natuurlijk. Het is hier veel prettiger, tussen eigen publiek.

Zijn Nederlandse topbestuurders te vergelijken met internationale voetbalsterren, of met de mannen en vrouwen in het lokale sprekerscircuit? Misschien een beetje met allebei, maar zeker niet alleen maar met de kampioenen van het grote geld. Zij spiegelen zich wel graag aan de Angelsaksische toppers van het management, maar zijn ze het ook? Is er soms een uittocht van Nederlands toptalent aan de gang dat zich verhuurt aan de hoogst biedende buitenlander? Ben Verwaayen zit bij British Telecom, en misschien zijn er nog een stuk of tien anderen; dat is alles. Misschien zijn we niet goed genoeg voor de wereldtop, misschien ook wil niemand hier weg. En terecht. Waarom zou je tenslotte Blaricum inruilen voor een provinciestad in Nebraska? En als iemand het zelf al wilt, wat vinden zijn vrouw en kinderen ervan? Er zijn andere, betere redenen dan het grote geld om te blijven of te gaan. Mensen die deze redenen niet zien, die geen gevoel hebben voor wat het betekent om ergens thuis te zijn of bij te horen, die moet je niet hebben. Dat zijn dure huurlingen, daar win je geen oorlog mee.

Het is ook wel opmerkelijk dat onze sterren zich voor hun salarissen altijd meten aan duurdere landen, Amerika en Engeland voorop. Je hoort nooit iemand zeggen dat hij best lekker verdient in verhouding tot een collega in Vilnius, Praag of Abidjan. Even opmerkelijk is dat ING zijn headhunters niet naar die plekken stuurt om daar goedkoop talent binnen te halen, of een programma begint om het daar op te kweken. Als er een wereldmarkt voor bestuurstalent bestaat, zou het ook die kant uit moeten werken. Nee, zeggen ze dan, als je daar succesvol bent wil dat niet zeggen dat het je hier ook lukt. Gelijk hebben ze. Waarom zou een Hollander dan wel scoren in New York?

Wie ergens succesvol werkt, heeft geen garantie dat hij het in een andere cultuur ook redt. Wie in Zweden of Engeland grote dingen heeft verricht kan hier ernstig uitglijden. Een geïmporteerde bestuursvoorzitter heeft een

achterstand als het erom gaat het land en de mensen hier te begrijpen. Hij heeft hier geen vriendjes en gelijken met wie hij kan toetsen wat hij aan het doen is, en die hem waarschuwen als hij vreemde dingen begint te doen. Zijn peer group, zijn gelijken en referentiekader, die zitten in het buitenland. Dat zijn andere internationale supernomaden.

Dat is ook precies de angel in de constatering van ING en anderen. Wie beweert dat de bestuurdersbeloningen hier te laag zijn in vergelijking met het buitenland, die zegt dat de buitenlandse collega-toppers de groep vormen die ertoe doet. Wie daar goed of hoog scoort is een held, en anders is hij een sulletje – in dat gezelschap. Die zegt ook dat de duizenden medewerkers en de honderden managers binnen het eigen bedrijf van geen belang zijn. Wat die mee naar huis nemen, is een fractie van een bestuurderssalaris. Dat zou een punt van gêne moeten zijn, of tenminste iets waarover in bescheidenheid een uitleg gepast is. In plaats daarvan wordt het weggebluft: er zijn een paar anderen, ver weg, die meer hebben. Dat is belangrijker dan dat er velen zijn, dichtbij, die minder hebben. Een effectiever manier om de eigen organisatie te vervreemden valt moeilijk te bedenken.

Ex-premier Kok is misschien wat al te snel gecapituleerd voor het gezag van onafhankelijke onderzoeken. Er is meer, veel meer dat bepaalt wat eerlijk en goed is.