`Als A.F.Th. doorgaat met zijn beschuldigingen, dan sleep ik hem voor de rechter'

Ik ben A.F.Th. niet, Arie, dus ik mag doorgaan. Ik weet zeker dat je mij niet voor de rechter zult slepen. Je bent mijn vriend. `Onze Arie', noem ik je altijd. Dat weet je toch? `Daar komt onze Arie aan', zeg ik vertederd tot het cafégezelschap, als je weer eens opduikt. Als ik mijn cafégezelschap moet geloven kun je net zo goed definitief in het café blijven zitten, zo vaak duik je op.

Nu ben je gekwetst omdat iemand heeft verklapt dat jij als jurylid van de Librisprijs in het `hoofdstedelijke' café De Zwart hebt verklapt wie de prijswinnaar zou zijn. Wie durft te beweren dat de Nederlandse literatuur niet groots en meeslepend is?

Was je aan de drank, Arie? Was je weer kachel? Had je alle zeilen weer gehesen? Als ik aan het eind van mijn leven twee dichtbundeltjes had geschreven en in bijna alle besturen en jury's had gezeten zou ik het ook zwaar op een drinken hebben gezet. Ik begrijp dat het er soms uit is, Arie, voor je het weet. Vooral als je zulke gewichtige geheimen weet.

Ik ben ervan overtuigd dat je ook dit keer een flapuit was. Wacht nog even met slepen, Arie. Een paar weken terug zag ik je in hetzelfde café De Zwart, het moet na de bekendmaking van de longlist van de Librisprijs zijn geweest. Twee, drie keer per jaar kom ik in die kroeg, als ik in Nederland ben. Mijn hotel bevindt zich om de hoek. Ik neem wel eens een omweg om mijn bed te bereiken, maar soms heb ik geen zin over het café heen te springen. Zoveel moeite is de Nederlandse literatuur ook weer niet waard. Dan stap ik welgemoed binnen, al weet ik dat jij zult opduiken of al bent opgedoken.

Je zat tegenover me. Je schuurde met je hoofd tegen de borsten van een jongere dame die daar ijzingwekkend kalm onder bleef. Waar vist iemand zulke geduldige meisjes op? Hoe heette ze?

Niet Nicolien Mizee, dat is zeker.

Ineens zag je mij. Je ogen stonden boller dan ooit. Je begon uit een wazige verte tegen me te oreren, terwijl je doorging met wroeten en woelen en schuren. Vriendschap was iets moois, begreep ik. Mijn aanval op jou had werkelijk geen rol gespeeld. Geen moment. Onze Arie stond daar ver boven, boven zulke kinderachtigheden. Persoonlijke vetes mochten nooit de doorslag geven. En nog een boel gelal meer, waaruit ik moest opmaken dat ik naar een vermelding op de shortlist kon fluiten.

Ik had je nergens om gevraagd.

In het op de longlist vermelde boek Demonen had ik een hoofdstukje gewijd aan mijn eerdere ervaringen met je, o reusachtig jurylid. Er viel dus weinig te verklappen, Arie. Ik ken jou en je gekonkel, want ik ben opgegroeid met de Nederlandse literatuur.