Suriprofs geliefd én verguisd

Humphrey Mijnals maakte in 1960 als eerste Surinamer zijn debuut in Oranje. Vandaag de dag zijn Surina- mers niet meer weg te denken uit het Nederlandse profvoetbal. Hans Heijnen zette de historie op een rijtje in de documentaire `Het Surinaamse Legioen'.

Frank Mijnals weet nog als de dag van gisteren hoe André Maas van MVV hem in het seizoen 1959-1960 uitschold voor zwarte aap. De Surinaamse profvoetballer van Elinkwijk had zich voorgenomen niet te reageren op de racistische taal van zijn Nederlandse tegenstander.

Maar toen hij ook nog een por in zijn ribben kreeg, sloegen de stoppen door bij de donkere rechtsbuiten. Voor het oog van alles en iedereen ging Mijnals verhaal halen en sloeg hij de verdediger vol in het gezicht. Later veroordeelde de rechter in Maastricht de Surinamer tot een geldboete van 75 gulden. Maas ging vrijuit.

De ontvangst van de eerste Surinaamse profvoetballers in Nederland was zo'n vijftig jaar geleden niet allerhartelijkst te noemen. In de documentaire Het Surinaamse Legioen van Hans Heijnen die vanaf 13 mei in de bioscoop te zien is, laat de maker op boeiende wijze zien hoe de Surinamers in de loop der jaren onderdeel werden van het Nederlandse voetbal. Heijnen liet zich daarbij inspireren door het gelijknamige boek van journalist Humberto Tan.

De afgelopen vier decennia werden de Surinaamse voetballers zowel in de armen gesloten als verguisd. Humphrey Mijnals, Stanley Menzo, Gerald Vanenburg, Frank Rijkaard, Ruud Gullit, Edgar Davids, Patrick Kluivert en Clarence Seedorf hebben allen een haat-liefdeverhouding met het Nederlandse publiek gehad. En in Suriname worden de in Europa voetballende profs door velen als zwarte Nederlanders gezien.

Sinds de invoering van het profvoetbal In Nederland, in 1954, geven de Surinaamse spelers met hun sterke lichamen en gepolijste techniek de eredivisie extra glans. Humphrey Mijnals was een van de eersten die de Surinaamse competitie verruilde voor de Nederlandse. Met lichte tegenzin was hij aan de hand van de Rotterdamse dominee Graafland naar het koude land aan de Noordzee vertrokken. Bij zijn eerste duel voor het Utrechtse Elinkwijk werd de verdediger voorin geposteerd. Met wanten en een maillot sloeg hij ook op het veld een modderfiguur. ,,Plak een postzegel van 15 cent op zijn kont en stuur hem terug naar Suriname'', schreeuwde het vijandige publiek.

Het kostte Mijnals moeite, maar hij overwon de scepsis en bleek later een voorbeeld voor tientallen andere Surinamers. Op 3 april 1960 debuteerde hij in het Nederlands elftal waar hij de verdedigende Braziliaanse omhaal – la bicicleta – introduceerde. In de jaren die volgden kwamen zijn broers Frank en Louis Mijnals en spelers als Michel Kruin en Charly Marbach naar Nederland. Maar verder dan een anonieme plek in de marge van het betaalde voetbal kwam de eerste generatie Surinamers in Nederland niet. Volgens de oud-spelers was `goed' voor een gekleurde voetballer destijds niet voldoende. Wilde een Surinamer slagen dan moest hij veel beter zijn dan zijn Nederlandse collega's.

Medio jaren tachtig brak een nieuwe, succesvolle generatie Surinaamse spelers door. Voetballers als Vanenburg, Rijkaard en Gullit koppelden hun `Zuid-Amerikaanse' balbeheersing aan een Nederlandse voetbalintelligentie. Met deze perfecte combinatie veroverden ze niet alleen Nederland, maar werden de `Suriprofs' wereldberoemd. Met als hoogtepunt het door Nederland gewonnen Europees kampioenschap in 1988 met Vanenburg, Rijkaard en Gullit als sympathieke en succesvolle ambassadeurs van Suriname.

Maar de roem van dit drietal bleek vergankelijk. Vanenburg vluchtte naar de Japanse competitie nadat hij in verschillende Nederlandse stadions was uitgejouwd om zijn hoge stem. Rijkaard kreeg ruzie met Ajax-coach Johan Cruijff en vertrok via Spanje naar Italië. Gullit forceerde zelf een breuk bij PSV en ging daarna net als Rijkaard voor AC Milan spelen. Gullit werd als speler van Milan ooit door duizenden toeschouwers in de Amsterdam Arena uitgefloten. Zowel Rijkaard als Gullit bedankte om uiteenlopende redenen voor het Nederlands elftal.

Een nieuwe gretige lichting Surinamers brak al weer door. Bij Ajax opgeleide voetballers als Edgar Davids, Clarence Seedorf, Patrick Kluivert, Winston Bogarde en Michael Reiziger waren echter uit een ander hout gesneden dan hun`vernederlandste' voorgangers. Ze vormden binnen het Nederlands elftal een apart groepje - `de kabel' - waar de Surinaamse identiteit een grote rol speelde. Met Ajax wonnen ze inj 1995 de Champions League en de wereldbeker. Daarna belandden ze stuk voor stuk bij Europese topclubs. Maar met het Nederlands elftal wist deze generatie spelers nooit helemaal het vertrouwen van de Oranjefans te winnen.

Een groot deel van het publiek zag Kluivert, Davids en vooral Seedorf als de schuldigen van de malaise bij Oranje de afgelopen jaren. Net als de eerste generatie Surinamers in de jaren vijftig, werd het drietal door een deel van het Nederlandse voetbalpubliek als eigenwijze vreemdelingen uitgejouwd. Maar het chauvinistische oranjevolk begroet de Surinamers ook weer als wondervoetballers als ze uitblinken in Oranje. Vanavond in de vriendschappelijke interland tegen Griekenland krijgen Seedorf en Kluivert vanaf de eerste minuut weer de kans om zich te bewijzen. Een Nederlands elftal zonder Surinaams bloed is bijna ondenkbaar geworden.

De documentaire `Het Surinaamse Legioen' van regisseur Hans Heijnen, over Surinaamse profs in Nederland, is vanaf 13 mei in de bioscoop te zien.