Nieuwe Nota Ruimte is zwaktebod en lost niets op

Volgens de nieuwe Nota Ruimte van minister Dekker (VROM) zal de verstedelijking de komende jaren flink oprukken. Dat lijkt opnieuw ten koste te gaan van het platteland. Om de in hun aard zwakke plattelandsfuncties te beschermen tegen de sterke stad, is het nodig om patroondoorbrekend te gaan denken. En ons niet meer alleen bezig te houden met het verplaatsen van prikkeldraad, vinden Mathieu Wagemans en Paul Bos.

Een van de doelstellingen van de Nota Ruimte is om ,,krachtige steden en een vitaal platteland'' te creëren. Achter dit doel schuilt een van de centrale vragen waar beleidsmakers in de ruimtelijke ordening zich de afgelopen jaren druk om maken: hoe organiseren wij de verhouding tussen stad en platteland? Kiezen wij voor geconcentreerde verstedelijking of krijgen woningbouw en bedrijventerreinen meer ruimte op het platteland?

Het lukt beleidsmakers maar niet om hierop een vernieuwend antwoord te vinden. Afhankelijk van de stand van de politieke barometer kent het weerbericht voor de ruimtelijke ordening twee voorspellingen: er komt een stringent beleid of er komt meer ruimte voor plattelandsgemeenten om te bouwen in het buitengebied.

Het is een discussie die wordt gekenmerkt door een treurige armoede aan ideeën en die wordt gewonnen door partijpolitiek en discussietechniek. Het debat is hierdoor niet alleen oppervlakkig maar ook voorspelbaar. De vraag of de stad mag uitbreiden tot het prikkeldraad 200 meter verderop, is alleen voor grondeigenaren van belang. Met als gevolg: de verstedelijking rukt op, het platteland boert achteruit, en het is niet ondenkbaar dat de groene ruimte uiteindelijk een ongeordende verzameling functies wordt waarbij de drang naar economisch gewin leidend is. Die ontwikkeling zal zich voorspelbaar voortzetten tenzij het werkelijke probleem wordt aangepakt.

In de kern is dat het feit dat plattelandsfuncties economisch niet in staat zijn om tegenwicht te beiden tegen verstedelijking. De vraag is dan op welke wijze er een duurzaam evenwicht kan ontstaan tussen de functies van de stad en die van het platteland. Waarbij de inzet is dat beide partijen er beter van worden. Nu is daarvan geen sprake.

Om daar verandering in aan te brengen, kunnen twee opties worden uitgewerkt die weliswaar gevoelig liggen maar die wel aan de orde zijn. De eerste optie betreft de invoering van een systeem van verrekening. Lusten en lasten zijn nu onevenredig verdeeld. De eigenaar van een perceel landbouwgrond wordt grootverdiener wanneer als gevolg van overheidsbeleid zijn grond een woonbestemming krijgt. Er staat geen enkele inspanning tegenover. Tegelijkertijd wordt de rekening voor aanleg en beheer van natuur bij de overheid neergelegd. Invoering van een verrekeningssysteem is dringend nodig. Het betreft een politiek gevoelig onderwerp en zou juist daarom bovenaan de politieke agenda moeten staan.

Een tweede optie is ingrijpender en vraagt om een innovatieve aanpak. Daarvoor is nodig dat de verantwoordelijkheden voor het beheer van het platteland ingrijpend worden veranderd. De zorg voor economisch zwakke functies is de afgelopen decennia als vanzelf op het bordje van de overheid neergelegd. Logisch, omdat collectieve goederen zoals natuur- en landschapswaarden nu eenmaal lastig via de markt kunnen worden gereguleerd. Overheidsingrijpen ligt dan voor de hand. Maar er is ook een derde weg denkbaar waarbij burgers en bedrijven nadrukkelijk bij het beheer van de eigen omgeving worden betrokken. Daarvan is thans geen sprake.

Kijken we naar de manier waarop de verantwoordelijkheid voor het beheer van regio's thans is geregeld, dan zien we een ingewikkeld stelsel van afspraken tussen rijk, provincies en gemeenten. Voor burgers en overigens ook voor menig ambtenaar is dat stelsel onbegrijpelijk. Verantwoordelijkheid berust bij anonieme organisaties en heeft geen gezicht meer. In plaats daarvan zou de verantwoordelijkheid voor een regio weer bij partijen in die regio moeten worden gelegd. We moeten naar de regio toe organiseren in plaats van er vandaan.

Het systeem van lusten en lasten moet op het laagst mogelijke niveau worden gesloten. Wat in een buurtschap kan worden opgelost, hoeft niet via verordeningen uit Brussel te worden geregeld. Zo kan er evenwicht ontstaan tussen wie de lusten heeft en wie opdraait voor de lasten. Wie belang heeft bij goede omgevingskwaliteiten betaalt daarvoor een prijs. Wie een bungalow bezit met vrij uitzicht of nabij een natuurgebied woont, wordt via een stelsel van registerrechten verplicht om mee te betalen aan het beheer. Een dergelijk recht kan worden gekoppeld aan het bezit en/of gebruik van een woning.

Omgevingskwaliteit komt thans al via de markt tot uitdrukking in de waarde van een woning. Daarentegen komen de lasten in de vorm van onbetaalde rekeningen voor natuurbeheer thans bij de overheid terecht. Dat moet anders. Een ingrijpende wijziging van eigendomsrechten is nodig.

In diezelfde zin is denkbaar dat we op zoek gaan naar een nieuwe organisatievorm voor de landbouw. Dat zou kunnen met nieuwe plattelandsbedrijven waarin burgers medeverantwoordelijk zijn voor het produceren van voedesel en het onderhouden van het landschap, bedrijven ook waarin waarin burgers financieel participeren. Boederijen moeten zo `buurderijen' worden, waaraan de overheid het beheer van een regio in vertrouwen kan overlaten. Dat zijn bedrijven met een gemengd karakter, die de huidige trend in de landbouw naar specialisatie en intensivering doorbreken.

Er zijn nieuwe vormen van landbouw nodig die aansluiten bij maatschappelijke wensen. Dat betekent een doorbreking van de huidige sectorale belangenbehartiging. De landbouw kan niet langer zijn eigen toekomst ontwerpen. Maar de uitdaging mag er zijn. Voor een dergelijk bedrijf zijn nieuwe financieringsarrangementen nodig en nieuwe vormen van beloning, zoals betaling van dividend-in-natura. Maar bovenal zijn daarvoor nieuwe vormen van burgerschap nodig. Waarin burgers door nieuwe en eigentijdse vormen van participatie weer verplichtend worden betrokken bij het beheer van hun eigen omgeving.

Dat vraagt verder om nieuwe coalities tussen burgers, bedrijven en lokale organisaties. En om nieuwe arrangementen op basis van wederkerigheid. Dergelijke nieuwe organisaties kunnen bijdragen aan versterking van de sociale cohesie op het platteland die de afgelopen decennia door rationalisatie en individualisering voor een groot deel verloren is gegaan.

Langs die weg kan er een duurzaam tegenwicht ontstaan voor de oprukkende verstedelijking. Direct betrokkenen hebben er dan belang bij om op te komen voor wat voor hen van waarde is, namelijk behoud van een mooie omgeving en van regionale identiteit. Bij overheidsorganisaties die zich vooral door (vergroting van) eigen bevoegdheden laten leiden, is die zorg niet in goede handen.

Binnen het huidige plattelandsbeleid wordt helderheid ten onrechte op één lijn gesteld met gedetailleerdheid. Ook kabinetten waarvan de politieke samenstelling periodiek verandert, bieden geen basis voor duurzaamheid. Het verkennen van deze `derde' weg lijkt ons heel wat spannender dan het periodiek verplaatsen van prikkeldraad tot beleid verheffen.

Mathieu Wagemans werkt voor Innovatienetwerk Groene Ruimte & Agrocluster en is tevens wethouder in de gemeente Heythuysen; Paul Bos is boer in de gemeente Haarlemmermeer, waar hij vanuit zijn boerderij nieuwe verbindingen maakt met de verstedelijking om hem heen.

tot `buurderijen'