Jihad in Afghanistan, Pakistan én Kashmir

Pakistan regisseerde in de jaren tachtig de islamitische verzetsoorlog in buurland Afghanistan. Vervolgens werd het land zelf slachtoffer van de jihad-cultuur.

De Pakistaanse generaal Muhammad Zia ul-Haq was tussen 1977 en 1988 de verkeerde man op de verkeerde plek in de verkeerde tijd. Twee jaar na zijn coup vielen sovjettroepen buurland Afghanistan binnen, en werd Pakistan frontstaat in de strijd tegen het communisme. De naweeën daarvan zijn nog steeds voelbaar: aanhoudende strijd in Afghanistan, geloofsgeweld tussen moslims onderling in Pakistan, en islamitische terreur in India's Kashmir en op andere plekken in de Centraal- en Zuid-Azië.

Verschillende partijen streden mee in de `jihad' tegen de sovjetbezetters van Afghanistan, maar elke partij had haar eigen agenda.

Zia ul-Haq speelde in Pakistan de kaart van de islam, en hij zette die ook in om blijvende Pakistaanse invloed in Afghanistan te verwerven.

Amerika en Saoedi-Arabië steunden hem met miljarden dollars aan wapens en giften. De Amerikanen om het `Rode Gevaar' te keren, de Saoedi-Arabiërs om hun strenge `wahhabitische' variant van de islam uit te dragen. Zo kwam ook Osama bin Laden in Afghanistan terecht en legde hij zijn eerste kontakten voor het latere netwerk Al-Qaeda.

En de `mujahideen', de islamitische strijdgroepen in Afghanistan zelf? Zij raakten na de omverwerping van het `goddeloze' communistische regime in Kabul in 1992 verstrikt in een onderlinge machtsstrijd die meer burgers het leven heeft gekost dan tijdens de hele sovjetinvasie. Pas de Talibaan maakten een eind aan dat bloedvergieten.

De Pakistaanse geheime dienst ISI verdeelde de buitenlandse wapens onder de Afghaanse milities. Krijgsheer Gulbuddin Hekmatyar kreeg de meeste. Maar hij heeft zijn Pakistaanse en Amerikaanse broodheren ernstig teleurgesteld. Zijn troepen werden als eerste opgerold toen de Talibaan in 1994 vanuit Pakistan aan hun opmars begonnen en twee jaar later Kabul veroverden. Vorig jaar februari bestempelden de Verenigde Staten hun voormalige protégé als een `global terrorist' op wiens bezittingen beslag gelegd moet worden. Want Hekmatyar heeft zich in woord en met aanslagen openlijk geschaard aan de zijde van de Talibaan en Al-Qaeda tegen de door Amerika in Kabul geïnstalleerde regering van Hamid Karzai.

Ruim drie jaar na het aantreden van president Karzai (december 2001) voeren Amerikaanse en Afghaanse troepen in het Pathaanse grensgebied met Pakistan nog steeds slag met strijders van de Talibaan en Al-Qaeda. Militair gezien zijn ze geen partij, maar hun terreuraanslagen, vooral op burgerdoelen, blijken dodelijk effectief. De Verenigde Naties schortten in november een groot deel van de hulpverlening op nadat een medewerkster van de vluchtelingenorganisatie UNHCR in het centrum van Ghazni werd gedoodgeschoten. De onveiligheid in grote delen van het land verstoren de voorbereidingen op de verkiezingen, die daarom al zijn uitgesteld tot september.

Onder Zia ul-Haq werd Pakistan niet alleen de belangrijkste uitvalbasis voor de islamitische strijdgroepen in Afghanistan, ook het land zelf werd doordrenkt met een `jihad-cultuur'. Zia's `islamisering' van het land leidde tot spanningen tussen sunnieten en de shi'itische meerderheid over de juiste interpretatie van de islam. Veel waarnemers vermoedden ook de steun van de ISI bij de oprichting van extremistische sunnitische partijen als Sipah-e-Sahaba Pakistan (SSP) in het midden van de jaren tachtig. In 1996, toen de SSP een wat gematigder koers ging volgen, splitste zich een gewapende vleugel af onder de naam Lashkar-e-Jhangvi.

De sektarische strijd in Pakistan heeft de afgelopen jaren vele honderden slachtoffers gemaakt bij aanslagen op moskeeën en kerken. Maar ook de leiders van de terreurorganisaties slapen veelal niet vredig in. SSP's oprichter Haq Nawaz Jhangvi werd in februari 1990 vermoord, net als zeven jaar later zijn opvolger Zia-ur Rehman Farooqi (bij een bomexplosie bij een rechtbank in Lahore die in total 30 mensen het leven kostte). De vermoedelijke daders waren shi'ieten. Als wraakneming werd in december 1990 de Iraanse (dus shi'itische) consul-generaal in Lahore vermoord, en in 1997 een Iraanse diplomaat en vijf Iraanse cadetten op cursus in Pakistan.

Zo'n vergelding is tot dusver uitgebleven na de laatste moord op een leider van de SSP, parlementslid Maulana Azam Tariq, vorig jaar oktober in Islamabad. De SSP was verboden verklaard en Tariq zat in de gevangenis toen president Musharraf in oktober 2002 verkiezingen hield. Het verhinderde niet dat Tariq als `onafhankelijk' kandidaat in het parlement werd gekozen.

Behalve aan blinde geloofsijver ontlenen de Pakistaanse extremisten hun bestaansrecht aan frustratie om het verlies van het overwegend islamitische prinsdom Jammu en Kashmir, na de deling met India in 1947. Het gewapende verzet tegen de `terreur' van het Indiase leger en de paramilitaire veiligheidstroepen begon na 1986 door vrijheidsstrijders uit India's Kashmir zelf. Maar al snel kregen `buitenlandse' – lees: Pakistaanse – strijdgroepen de overhand. Na het einde van de sovjetbezetting van Afghanistan trokken Afghanistan-veteranen naar het Pakistaanse deel van Kashmir. Daar voegden ze zich bij het voetvolk van organisaties als Harkat-ul-Ansar, Laskhar-e-Taiba en Hizb-ul-Mujahideen, die met steun van de ISI de bestandslijn overtrokken. Zo kreeg de `jihad' na de dood van Zia ul-Haq in 1988 een nieuwe impuls.

De afgelopen jaren zijn er nieuwe, ondergrondse terreurgroepen bij gekomen met namen als Lashkar-e-Omar, Jaish-e-Mohammad en Lashkar-e-Jabbar. Vaak gaat het om splintergroeperingen of voortzettingen onder nieuwe naam van bestaande strijdgroepen. Net als bij de Talibaan recruteren ze hun strijders onder de `studenten' van sympathiserende madrassa's (koranscholen) en genieten ze de steun van fundamentalistische moederorganisaties, zoals Markaz al-Dawah al-Irshad.

Daarbij zijn hun gelederen versterkt door buitenlandse strijders van Al-Qaeda die na de Amerikaanse aanvallen uit Afghanistan zijn weggetrokken. Hun actieradius beperkt zich niet langer tot Kashmir of tot de strijd tegen de Amerikaanse `bezetting' van Afghanistan. Voor de meest extremistische organisaties is bevrijding van Kashmir niet langer het hoogste doel, maar de vestiging van een `echte' islamitische staat in Pakistan, Afghanistan en heel de omliggende regio.

Dat Talibaan en Al-Qaeda zich niet alleen verschuilen in de ontoegankelijke Pathaanse stammengebieden, maar evenzeer onderdak vinden in de steden en daar contacten onderhouden met ondergrondse én bovengrondse groeperingen , blijkt onder andere uit de moord in de zuidelijke havenstad Karachi op de Amerikaanse journalist Daniel Pearl, begin 2002.

Bij diens ontvoering waren leden van Jaish-e-Mohammad betrokken, maar ook de nummer drie van Al-Qaeda, de Koeweiti Khalid Sheikh Mohammed, en een aantal (oud)-medewerkers van de geheime dienst ISI. Khalid Sheikh Mohammed werd later in Rawalpindi, bij de hoofdstad Islamabad, aangehouden in het huis van een lid van de Jamaat-i-Islami, een van de grootste fundamentalistische politieke partijen in Pakistan.

Dergelijke connecties van daders en beschermheren kwamen ook aan het licht bij andere aanslagen. President Musharraf ervoer afgelopen december persoonlijk hoezeer de zaak uit de hand is gelopen. Tot twee keer toe ontsnapte hij op het nippertje aan aanslagen op zijn konvooi op weg naar het militaire hoofdkwartier in Rawalpindi. De daders worden gezocht in kringen van Jaish-e-Mohammad, en behalve Pakistanen zijn ook Afghanen, Tsjetsjenen en Kashmiri opepakt.

Zo laat Zia ul-Haq nog steeds van zich horen.

Vierde deel in een serie over internationaal moslimterrorisme. De eerste afleveringen verschenen op 17, 21 en 24 april en zijn na te lezen op www.nrc.nl.