Het failliet van Kooistra's kroegen

Vandaag staat horecaondernemer Sjoerd Kooistra voor de rechter. De zaken die hij verpacht, gaan wel érg vaak failliet, vinden de curatoren.

Zoals bij het spel Monopoly een speler hele straten kan hebben, zo heeft horecaondernemer Sjoerd Kooistra grotendeels de horeca in Groningen en Amsterdam in zijn bezit. Dat de ene na de andere zaak failliet gaat, daar kan hij naar eigen zeggen niets aan doen; hij is slechts de verpachter. Jarenlang wist hij zo zijn imperium uit te breiden. Maar vandaag moet hij voor de rechtbank in Groningen verschijnen wegens ,,paulianeus handelen''; het uitlokken van faillissementen.

De Groninger Sjoerd Kooistra (52) begon zijn ondernemersschap met een klein pretparkje in Norg, een dorpje in Drenthe. Daarna kocht hij zijn eerste cafés op de Grote Markt in Groningen. Sindsdien heeft hij ruim tachtig zaken verworven, waarvan bijna de helft in Groningen, achttien in Amsterdam en de rest verspreid door het land.

Zelf zegt hij dat het simpel is. Hij heeft slechts één BV, Plassania Beheer, aan de Grote Markt in Groningen. Deze BV waarvan hij enig aandeelhouder is, doet niets anders dan kant en klare zaken verpachten. De pachter huurt de tent van hem en betaalt een vast percentage pacht per maand, zo rond de dertig procent. In de horeca is twintig procent gebruikelijk. Een pachtovereenkomst met Kooistra past op twee A-4'tjes. Aan deze methode wordt door hem niet getornd. Ook niet als zijn pachters al jarenlang om de beurt failliet gaan. Zo gaan die dingen nou eenmaal, hijzelf doet niets onoirbaars.

In de horecawereld denken ze daar anders over. Deze faillissementen behoren bij een methode, zeggen de curatoren die voor schuldeisers proberen geld bij Kooistra's ondernemingen te halen. In de horeca is deze handelswijze de `methode-Kooistra' gaan heten, of de `Kooistra-faillissementstruc'. Ruim twintig jaar ging het goed, maar recent ontstond er ophef over het faillissement van de Oesterbar in Amsterdam. Sindsdien leggen curatoren de ondernemer het vuur aan de schenen, met enkele beslagleggingen twee weken geleden en als voorlopige climax de dagvaarding van vandaag.

De Groningse advocaat Jan van der Molen is verantwoordelijk voor die dagvaarding. Hij is curator in het faillissement van de Verenigde Horecabedrijven Amsterdam (VHA) BV. In samenwerking met schuldeiser UWV GAK heeft hij het faillissement onderzocht. In zijn verslagen staat nauwkeurig beschreven hoe de methode Kooistra werkt.

Plassania Beheer verpachtte sinds februari 2003 acht zaken in Groningen aan VHA, waaronder het grandcafé De Drie Gezusters en hotel De Doelen. Bestuurders van VHA waren R.W. Kelder en M.W van der Lelie. In september vorig jaar ging VHA failliet. De reden was dat VHA structureel geen premies afdroeg aan het UWV GAK, dat uiteindelijk het faillissement aanvroeg. Ook leveranciers werden niet betaald. Met het naderende faillissement werd de exploitatie van de bedrijven net op tijd overgezet in twee nieuwe BV's, waarvan in één weer Kelder en Van der Lelie als bestuurders zaten. De oude BV was leeg, en de schuldeisers, de belastingdienst, drukkerijen, banken en de KPN, konden naar hun geld fluiten.

Het UWV GAK liep tonnen loonbelasting mis en stelde een eigen onderzoek in. De conclusie: ,,De bestuurders zijn zonder ondernemingsplan in een exploitatie gestapt, waarvan feitelijk al te voren vaststaat dat nimmer gelet op het kostenpatroon en met name gelet op de te betalen pacht een winstgevende situatie haalbaar is.''

De twee bestuurders hebben inderdaad zonder ondernemingsplan gehandeld, maar ervaring hebben ze wel, zo blijkt uit stukken van het UWV GAK. Kelder pachtte dezelfde acht zaken al twee keer eerder van Kooistra met andere BV's, die ook failliet gingen. Van der Lelie en Kelder waren samen ook al eerder betrokken bij het over de kop gaan van de acht bedrijven, met de BV Copa Horeca Groningen. En ondanks de slecht lopende exploitatie vinden ,,onverminderd privé-opnames plaats'' door beide bestuurders, zo schrijft het UWV. In vijf maanden tijd ruim zeventigduizend euro.

Voor Van der Molen is het duidelijk. Kooistra is de enige leidinggevende bestuurder die aan alle touwtjes trekt. De contracten mogen dan slechts twee kantjes beslaan, daarin stelt Kooistra heel duidelijk de bedrijfsvoering vast. Hij bepaalt met welke drankleverancier ze in zee moeten gaan, hij wijst een exploitant van speelautomaten aan, stelt de pachtsom vast, bemoeit zich met de menukaart en stelt in enkele gevallen ook de prijzen vast.

De inmenging van Kooistra gaat nog verder, zo staat in de dagvaarding. Plassania Beheer bepaalt welke drankleverancier de pachters moeten gebruiken, maar stelt de biercontracten op haar naam, zodat de bonuskorting van de brouwerijen – bij afname van grote hoeveelheden – bij Plassania terechtkomt. Plassania had de sleutel van de kluis van VHA waaruit Kooistra wekelijks de verschuldigde pacht ,,contant liet opnemen door zijn nicht Grietje van der Veen''. Plassania bepaalt welke adviseurs de pachters moeten nemen en hebben derhalve dezelfde advocaat en notaris als Kooistra zelf.

De pachtcontracten worden steeds voor maar een half jaar afgesloten, zegt de curator. Maar wat is het financiële voordeel voor Kooistra als zijn verpachte zaken zo snel op de fles gaan? ,,Zo behaalt hij al jaren een uitstekend rendement op zijn eigen geïnvesteerd vermogen en laat hij de katvangers de verliezen'', schrijft Van der Molen in de dagvaarding. Volgens het UWV GAK ontlenen de zaken die Kooistra verpacht hun bestaanrecht slechts aan ,,genomen leverancierskrediet'. De levensduur wordt in de praktijk bepaald door de acties van het UWV GAK, zegt het UWV. Die laat het doek vallen door faillissement aan te vragen.

De rechter moet nu bepalen of Kooistra aansprakelijk is voor de faillissementen van zijn pachters. Is dat zo, dan wachten hem nog miljoenenschulden die zijn pachters her en der hebben achtergelaten. Om te beginnen de eis van curator Van der Molen van één miljoen euro.