Een nederlaag voor landbouwsteun

Amerikaanse steun aan katoenboeren is onrechtmatig, vindt de WTO. De uitspraak kan ook voor Europa en voor de wereldhandelsbesprekingen grote gevolgen hebben.

Met een ferme klap heeft de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gisteren een nagel in de doodskist van de landbouwsubsidies gedreven. Dat soort subsidies is concurrentievervalsend en werkt handelsverstorend, luidt een alom gedeelde theorie – die evenwel haaks staat op de praktijk van internationale handel.

Jaarlijks worden, met name door de Verenigde Staten, de Europese Unie en Japan, voor miljarden aan landbouwsubsidies uitgedeeld. Niet-gesubsidieerde boeren in vooral ontwikkelingslanden ondervinden daarvan de negatieve gevolgen. De prijzen op de wereldmarkt dalen, en dus ook de inkomens van ongesubsidieerde boeren. Landbouwsubsidies vormen bijgevolg het grootste struikelblok bij de vastgelopen wereldhandelsbesprekingen in de zogenoemde Doha-ontwikkelingsronde van de WTO.

Gisteren werd het handelsverstorende en concurrentievervalsende karakter van landbouwsubsidies bevestigd door een panel van de WTO dat onderzoek verrichtte naar subsidies aan katoenboeren in de Verenigde Staten. Het panel deed zijn uitspraak in een zaak die Brazilië aanhangig had gemaakt bij de WTO. De uitspraak is voorlopig en voorshands nog geheim. Wat we ervan weten is de interpretatie door betrokkenen en deskundigen. Pas in de loop van juni zal een definitieve uitspraak worden gepubliceerd.

In de zaak van de katoensubsidies ondernam Brazilië begin vorig jaar actie. De nummer vijf op de wereldranglijst van katoenproducenten sleepte de nummer twee voor het WTO-panel op grond van het Amerikaanse subsidiebeleid in 2001-2002. Toen verstrekte Washington de 25.000 Amerikaanse producenten bijna 4 miljard dollar (3,36 miljard euro) aan subsidies – voor een oogst die 3 miljard dollar waard was, zo noteerde de Wall Street Journal droogjes. Niet alleen de wat welvarender Braziliaanse, maar ook arme West-Afrikaanse katoenproducten ondervonden daarvan grote hinder. De laatste groepering lijdt daardoor een verlies van 250 miljoen dollar per jaar, zo schat ontwikkelingsorganisatie Oxfam.

Maar de bezorgdheid van Brazilië gold vooral ook de Amerikaanse subsidieplannen in de landbouw voor de periode 2002-2007 vervat in de zogenoemde `Farm Bill' van president Bush. In die vijf jaar zullen de Amerikanen voor 190 miljard dollar aan landbouwsubsidies verstrekken – overigens ruim onder de 45 miljard euro die de EU nog jaarlijks uitdeelt aan zijn boeren.

De Farm Bill kan rekenen op brede steun in de Amerikaanse politiek. Dat bleek ook gisteren weer uit de eerste reacties op de uitspraak van het WTO-panel. Republikeinen zowel als Democraten staan tegen de achtergrond van snel naderende verkiezingen in de zaak van landbouwsubsidies pal achter boer en president. Voorlopig hoeven de boeren in Amerika's `Cotton Belt' niet te vrezen voor hun inkomen, ook al omdat uitspraken van de WTO altijd met de nodige vertraging in concrete (straf)maatregelen uitmonden.

De uitspraak van het WTO-panel is ook van belang voor de Europese Unie. Ten eerste voor de katoenboeren in de EU-lidstaten Griekenland en Spanje. Juist vorige week besloten de ministers van Landbouw van de EU een aantal mediterrane producten, waaronder katoen, te onderwerpen aan een regime van ontkoppelde steun. Niet het product katoen, maar het inkomen van de producent ervan zal voortaan worden gesubsidieerd.

Toch is nog maar de vraag of dit soort steun de goedkeuring van de WTO kan wegdragen. Deskundigen kijken reikhalzend uit naar de publicatie eind juni van het 400 pagina's tellende, definitieve besluit van het WTO-panel over de Amerikaanse katoensubsidies. Wordt product- en inkomenssteun bij elkaar opgeteld en gezamenlijk als handelsverstorend aangemerkt? In dat geval zou de katoenuitspraak verstrekkende gevolgen kunnen hebben, en niet alleen voor het vorige week afgesproken steunbeleid voor mediterrane producten. Ook de ingrijpende en moeizame landbouwhervormingen van vorig jaar, die op hetzelfde ontkoppelingsprincipe zijn gebaseerd, zouden daardoor op de helling komen te staan.

De katoenzaak bij de WTO kan ook een precedentwerking hebben voor de Europese variant op de Amerikaanse subsidiedouche: het suikerregime. Opnieuw was het Brazilië dat (mede) een klacht bij de WTO heeft ingediend. In dit geval tegen het subsidiebeleid van de Europese Unie voor de suikerproducerende oud-koloniën in Afrika, het Caraïbisch gebied en het Stille-Zuidzeegebied, de zogenoemde ACP-landen. De bevoordeling van de ACP-landen is boeren in andere ontwikkelingslanden een doorn in het oog.

Gevolgen zullen er ook zijn voor de discussie binnen de WTO in het kader van de huidige ronde van handelsbesprekingen, de zogenoemde Doha-ontwikkelingsronde. In september vorig jaar mislukte de WTO-ministersconferentie in Cancún nog mede omdat er over de katoensubsidies onoverbrugbare verschillen bestonden tussen een groep West-Afrikaanse landen en de VS. De West-Afrikanen lijken door de uitspraak van het katoenpanel het gelijk aan hun zijde te krijgen. Dat zet extra druk op de onlangs weer aarzelend begonnen dialoog bij de WTO in Genève om serieus over de afschaffing van landbouwsubsidies te gaan praten.