Depacificatie

Aanstaande zaterdag is het een jaar geleden dat president Bush in een straalvliegtuig op het vliegdekschip de Abraham Lincoln landde, zijn vliegeniershelm afzette en verklaarde dat ,,major combat operations in Iraq have ended''. Meteen voegde hij eraan toe dat er nog moeilijk werk te doen stond. Maar terwijl hij sprak, was de achtergrond versierd met een groot spandoek: MISSION ACCOMPLISHED.

Democraten protesteerden. De president was er vroeg bij met zijn verkiezingscampagne. Ze maakten er bezwaar tegen dat hij dit op staatskosten deed. Het oorlogsschip lag dicht genoeg bij de kust om er met een helikopter heen te vliegen. Hij had ook op zijn boerderij kunnen blijven. Ze zagen het filmpje als de shock and awe van de verkiezingsstrijd. Als het doorgaat in Irak zoals het op het ogenblik gaat, is dit geschut vanzelf gekeerd.

De presidentiële triomf is even voorbarig geweest als de Democratische angst. Beide partijen hebben zich vergist in de duurzaamheid van de zege. Vorig jaar hadden we juist de weken van de vallende standbeelden en de juichende massa's achter de rug. April 2004 is de bloedigste maand sinds het officiële einde van de oorlog. Maar dat niet alleen. Er is een

chaos gegroeid, van een uitzichtloosheid en omvang die weinigen een jaar geleden voor mogelijk hadden gehouden. Een poging tot inventarisatie.

1. De gewapende strijd. Het Amerikaanse opperbevel zoekt kennelijk nog naar de tactiek en strategie om wat soms een opstand heet, dan weer een stadsoorlog of een grootscheepse sabotage van het Saddam-geboefte, te bedwingen. Als voorbeeld geldt Falluja, de stad die op het ogenblik niet meer in handen van de Amerikanen is en belegerd wordt. Het aanvankelijk ultimatum werd vervangen door een aanbod tot nieuwe onderhandelingen die moeten leiden tot de inlevering van zware wapens. Bij een grootscheepse aanval van de Coalitie werd een bloedbad gevreesd, met de voorspelbare contraproductieve uitwerking. Vannacht is de aanval toch op de klassieke manier begonnen. In en om Basra en Najaf ontwikkelen zich soortgelijke situaties.

2. De civiele wederopbouw. Radicale demobilisatie van het Iraakse leger en ontslag van bestuursambtenaren die lid van de Ba'ath-partij zijn geweest, zijn oorzaken van werkloosheid en openbare desorganisatie. Dit erkennend heeft proconsul Paul Bremer kortgeleden besloten, leden van de Ba'ath voor zover ze geen grote medeplichtigen van Saddam zijn geweest, weer een functie te geven. Het leger is al een poosje in een staat van heroprichting. Wederopbouw van iedere organisatie kost altijd twee tot drie keer zoveel tijd als de ontbinding. En er is een probleem extra: sommige herbewapende eenheden lopen over naar de opstandelingen.

3. De toestand van de Coalitie. De opleving van de strijd, liever gezegd, de ontwikkeling daarvan tot een informele oorlog, doet Coalitiegenoten hun opvattingen herzien. Spanje heeft besloten zijn troepen terug te halen. Daarover is veel ophef ontstaan. Capitulatie, lafheid, enz. In werkelijkheid heeft de nieuwe regering alleen een verkiezingsbelofte ingelost. Van andere orde en van evenveel belang is de brief die 52 Britse voormalige diplomaten aan premier Blair hebben geschreven, waarin ze niets van diens politiek in het Midden-Oosten heel laten (zie deze pagina van gisteren). Londen volgt het dictaat van Washington, in Irak en ook terzake van Israël en Palestina. Doomed to failure.

4. De toekomst van het Grand Design, het neoconservatieve project tot democratisering van het Midden-Oosten met Irak als voorbeeld. Over het geheel genomen daagt een jaar later eerder het tegendeel (waarbij ik de wonderbaarlijke bekering van kolonel Gaddafi niet vergeet). President Mubarak heeft verzekerd dat de haat van de Arabieren tegen het Westen nog nooit zo groot is geweest. De International Herald Tribune van gisteren opent met een artikel over de oproep tot een jihad in de straten van Europa. Wat we van dit alles ook mogen denken, het wijst niet er niet op dat de normen en waarden van de westelijke democratie hun zegetocht in de Arabische wereld zijn begonnen.

5. In de Verenigde Staten is bij het met de dag feller wordend debat over Irak het Vietnam-taboe ruimschoots doorbroken. De beelden van met de vlag gedrapeerde doodskisten mogen nu in de media worden vertoond. Nu 20.000 man langer aan het front moeten blijven en er voorlopig nog eens 4.000 bij moeten, begint ook het negatieve nieuws de publieke opinie te bereiken.

Hoe lang nog in Irak, tegen welke prijs? We moeten Irak niet met het Vietnam van 1970 vergelijken maar teruggaan tot 1920, toen de Britten in en om Bagdad orde op zaken probeerden te stellen, schrijft de historicus Niall Ferguson (New York Times, 18 april). Dat heeft geduurd tot 1932, en pas in 1955 zijn ze definitief weggegaan. Een belangwekkend artikel dat in onze Tweede Kamer verspreid zou moeten worden.

De Arabische wereld is ook niet meer die van driekwart eeuw geleden. Maar feit blijft dat onze 1.261 man zich nu in een volstrekt andere situatie bevinden dan die waarin ze op 10 juli 2003 arriveerden, met volstrekt andere perspectieven.

Nu weggaan uit Irak? Lijkt me geen goed idee, want hoe gering de Nederlandse bijdrage ook is, het vertrek zou vermoedelijk op dezelfde schaal bijdragen tot vergroting van het probleem. Blijven? Dat betekent meer risico voor de Nederlandse soldaten onder een Amerikaans opperbevel, dat zonder duidelijk herkenbaar plan of perspectief niet alleen zo vlug mogelijk de vrede wil herstellen, maar al doende ook bezig is, de herverkiezing van president Bush te bevorderen. En onder zijn bewind is de chaos ontstaan.

Het zou goed zijn als de Tweede Kamer er een uitvoerig debat aan wijdt, zonder obligate praatjes over vrijheid en democratie. In hoeverre is Nederland in Irak overgeleverd aan de wisselende inzichten van de Amerikaanse regering? En hoeveel hebben we zelf in te brengen? Zouden we onder de nu geldende omstandigheden, met de herinnering aan Srebrenica, gaan helpen in Irak? Soldaten die hun leven wagen, hebben er recht op dat te weten, om te beginnen.