Wij mogen Afrika niet laten barsten

Er is veel niet goed gegaan bij de ontwikkelingshulp aan Afrikaanse landen, maar door te investeren in gezondheidszorg, onderwijs en het bevorderen van toegang voor Afrika tot onze markten, zal het tij keren, meent Agnes van Ardenne.

Het artikel van Arend Jan Boekestijn `Afrika is niet gebaat bij ontwikkelingshulp' (Opiniepagina, 21 april) eindigt met conclusies die ik als minister voor Ontwikkelingssamenwerking grotendeels in mijn beleid heb verankerd. Maar de analyse en de kop boven het stuk staan haaks op die conclusies en zetten de lezer op het verkeerde been.

Natuurlijk moeten Afrikanen en hun leiders het echte werk zélf doen. Nederland wil geen relatie van `hulp' maar van samenwerking, een partnerschap dat ondersteunt wat de Afrikanen zelf al doen. Het minste wat zij van ons mogen vragen, is dat wij niets doen wat hun ontwikkeling in de weg zit. Daarom heeft Boekestijn gelijk als hij vraagt om afbraak van de landbouwsubsidies. Daar zal ik echter nooit ontwikkelingsgeld voor gebruiken. Ten eerste omdat dit geld aan arme landen is beloofd en ik geen belofte wil breken. Ten tweede omdat beëindiging van subsidies de consumenten in rijke landen ten goede komt en binnen de Europese huishouding geen kosten oplevert. Getroffen Europese boeren moeten een goede regeling krijgen, maar dat is óns probleem en geen excuus om Afrikaanse landen te korten op bijdragen voor hun ontwikkeling. Het gaat niet alleen om landbouw, maar ook om een handelsbeleid dat armen landen eerlijke kansen geeft.

Humanitaire noodhulp is de enige `hulp' die wij geven – daar zijn we het ook over eens. Boekestijn wil inzetten op de bestrijding van hiv/aids, op verbetering van het onderwijs en conflictbeheersing; dit zijn speerpunten van het huidige beleid van Ontwikkelingssamenwerking.

Waarom zou Afrika dan niet gebaat zijn bij ontwikkelingshulp en zou alles alleen maar verkeerd gaan? Dat er veel niet goed ging in Afrika, is bekend. In de beleidsnotitie over Afrika Sterke mensen, zwakke staten heb ik dat ook geschetst. Maar tegelijkertijd gaat er ook veel goed. Voorbeelden zijn aidsbestrijding in Oeganda en onderwijs in Mali. In Ghana, Senegal en Kenia is de oppositie door vrije verkiezingen aan de macht gekomen. Afrikaanse troepen doen mee aan vredesoperaties. In Afrika als geheel zijn mensen gezonder en gaan er meer kinderen naar school dan veertig jaar geleden. Waren er in 2001 nog 13 gewelddadige conflicten, nu zijn er nog drie.

Ik zie ook dat Afrikaanse leiders tot het inzicht komen dat ze niet moeten klagen over het koloniale verleden, maar zelf verantwoordelijkheid nemen. Dat doen ze en daar beginnen ze elkaar ook aan te houden, in organisaties als NEPAD (New Partnership for Africa's Development) en de Afrikaanse Unie.

Afrikanen nemen ook verantwoordelijkheid op het gebied van vrede en veiligheid. Nederland steunt dat actief in twee regio's in Afrika. Vrede is immers fragiel, zoals Boekestijn ook al zei. Het zal niet in één keer goed gaan, Afrika's ontwikkeling vergt tijd, maar dit is niet het moment om Afrika in de steek te laten.

Helaas begint Boekestijn zijn betoog met achterhaalde stellingen, zonder verbanden aan te geven. In twintig jaar is er veel veranderd, er werd veel `hulp' in Afrika gepompt vanuit toen heersende Oost-West-tegenstellingen en zonder duidelijke voorwaarden.

Veel studies zijn gebaseerd op die oude situatie en hebben nu maar beperkte waarde. De internationale ontwikkelingssamenwerking is het afgelopen decennium een nieuwe weg ingeslagen, waarin goed beleid en goed bestuur een belangrijke leidraad zijn geworden, waarbij ondersteuning wordt gegeven aan ontwikkelingsplannen die landen zelf opstellen en waarbij de donorgemeenschap de hand in eigen boezem steekt en zijn samenwerking met partnerlanden beter coördineert.

Er bestaat nu internationale consensus over de wijze waarop armoede moet worden bestreden en dat de armoede in 2015 moet zijn gehalveerd. Dat doen we onder meer door te investeren in onderwijs, gezondheidszorg, in ontwikkeling van de private sector en door te blijven hameren op een coherent beleid – de afbouw van landbouw- en andere handelsverstorende subsidies en het bevorderen van een eerlijke toegang tot onze markten, want dat moet voor Afrika de echte winst gaan opleveren.

Agnes van Ardenne is minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Het artikel van Boekestijn is te lezen op www.nrc.nl/opinie