Splitsen energiebedrijven is gezond

De komst van een transparante markt waaraan alle aanbieders onder gelijke voorwaarden kunnen deelnemen gaat vóór het belang van de grote energiebedrijven zelf, menen Ferd Crone en Paul de Krom.

De grote energiebedrijven zijn tegen het kabinetsvoorstel om `hun' bedrijven te splitsen in een commerciële tak die mag worden geprivatiseerd, en een netwerkbedrijf dat voorlopig in overheidshanden blijft. Zij willen volledig worden geprivatiseerd, inclusief de netwerken.

Wij delen deze visie niet. De totstandkoming van een transparante markt waaraan alle aanbieders op gelijke voorwaarden kunnen deelnemen gaat vóór het belang van de grote energiebedrijven zelf. De energiebedrijven stellen daartegenover dat zij niet meer kunnen investeren in nieuwe centrales, de financieringsmogelijkheden afnemen, ze worden opgekocht door buitenlandse concerns, dat investeringen in onderhoud en uitbreiding van de netten beter door private partijen kan gebeuren, en dat gesplitste bedrijven minder waard zijn dan het geïntegreerde bedrijf waardoor de eigenaren (provincies en gemeenten) waardeverlies lijden.

Marktwerking kan per definitie niet plaatsvinden bij monopolistische activiteiten, zoals het beheren van stroomkabels en gasleidingen. Er is geen tucht van de markt, de klant kan niet overstappen op een ander netwerk. Het is dan ook aantrekkelijk om de opbrengst van het netmonopolie te gebruiken voor versterking van commerciële activiteiten elders in het bedrijf (kruislingse subsidie).

Dit kán worden voorkomen door effectieve regelgeving en sterk toezicht. Maar in de praktijk blijkt dat de regelgeving explodeert en er toezichthouders komen met honderden mensen, die vaak achter de feiten aanlopen. Ontvlechting van de monopolistische en commerciële activiteiten leidt tot méér transparantie. Dit maakt de taak van de toezichthouder gemakkelijker en het toezicht effectiever. Voordat wordt geprivatiseerd, moet het toezicht zich bovendien eerst in de praktijk hebben bewezen. Ook de Algemene Energie Raad pleit voor uitstel van privatisering van de netten.

De energiebedrijven stellen dat door splitsing niet meer kan worden geïnvesteerd in nieuwe centrales. Daarmee geven zij toe dat subsidie uit de netten wordt gebruikt voor de financiering van commerciële activiteiten. Als investeringen in productiecapaciteit echter afhankelijk zouden zijn van subsidie van de netten, ziet het er slecht uit voor nieuwe toetreders en producenten zonder netten. Onbegrijpelijk is dat zelfs wordt gepleit voor een Nationale Kampioen: een superproducent die ook nog de netten bezit. Marktwerking wordt ingeruild voor exclusieve marktmacht voor de oude bedrijven: van staatsmonopolie naar privaat monopolie.

Het is volstrekt onduidelijk waarom dit in het belang zou zijn van de consument. Wij hebben liever meerdere (buitenlandse) spelers zónder netten die met elkaar concurreren, dan één Nationale Kampioen mét netten en met te veel marktmacht. De toezichthouder blokkeert niet voor niets een fusie van Nuon en Essent. Daar komt bij dat de potentie van decentrale opwekcapaciteit, in Nederland zo'n 40 procent, niet door een Nationale Kampioen of door een monopolistisch netbedrijf mag worden weggedrukt. Zowel de decentrale opwekkers als afnemers moeten optimale marktkansen krijgen om bij te dragen aan voorzieningszekerheid en stabiele prijzen, ook in de piekuren.

Wat de financiering betreft: de mogelijkheden (en creditratings) van zelfstandige netbedrijven zullen zonder de risicovolle commerciële activiteiten juist toenemen. Die van een afgesplitst commercieel bedrijf daarentegen zullen door het wegvallen van de zekerheid van de netten inderdaad minder groot worden. Maar juist dát draagt bij aan de totstandkoming van een level playing field in de commerciële markt. Bedrijven zónder netten hebben de zekerheid van de netten immers ook niet. De afgesplitste commerciële bedrijven zullen, net als hun concurrenten, gewoon moeten leren risicovol te ondernemen.

De vrees van de grote bedrijven dat de afgesplitste commerciële activiteiten worden overgenomen door buitenlandse concerns is reeel. Maar bedacht moet worden dat in ieder scenario de invloed van buitenlandse bedrijven op onze markt zal toenemen. Nederland is nu eenmaal Klein Duimpje in Europees energieland. Zelfs mét netten zijn de Nederlandse bedrijven klein vergeleken met hun Europese concurrenten. Ook dan bestaat de kans dat ze door provincies en gemeenten worden verkocht aan buitenlandse concerns. Wij zijn niet bang voor buitenlandse bedrijven op de commerciële markt, mits er op wordt toegezien dat er voldoende spelers zijn om marktwerking te garanderen, en zolang die bedrijven niet ook nog eens de netten in handen hebben.

Er kan in een vrije markt een probleem ontstaan van voorzieningszekerheid vanwege de hoge kapitaalintensiteit en lange terugverdientijd van centrales. Investeerders willen afnamezekerheid, terwijl die juist kleiner kan worden als consumenten per maand kunnen switchen. De oplossing, uiteraard naast het vereiste van een gunstig investeringsklimaat, is dat producenten en afnemers langetermijncontracten aangaan. Het verbod hierop was een van de redenen dat het misging in Californië. De prijs kon worden opgedreven door manipulatie op de kortetermijnmarkt met schaarste (gaming). Daarnaast is het noodzakelijk dat er een markt voor piekcapaciteit komt. Het gaat immers om investeringen met een twijfelachtig privaat rendement maar een hoog maatschappelijk rendement.

De Nederlandse energiebedrijven staan overigens helemaal niet zo zwak als zij beweren. Er is 20 procent importcapaciteit. Afnemers zijn dus voor 80 procent van hun stroom afhankelijk van Nederlandse centrales. Stroomproducenten zitten voorlopig nog op rozen. Ondernemers in een gewone markt met onbeperkte importcapaciteit zullen hier jaloers op zijn! VNO/NCW pleiten niet voor niets voor uitbreiding van de importcapaciteit.

De belofte dat geprivatiseerde bedrijven garant staan voor een betere kwaliteit van de netten dan met de overheid als eigenaar, is niet overtuigend. Integendeel, met investeringen in uitbreiding van het net wordt de schaarste in de eigen markt verminderd, neemt de ruimte voor de concurrenten toe en komt de afzetprijs onder druk. Wie kan van een bedrijf verwachten zijn eigen positie te ondermijnen? We moeten niet naïef zijn. Normaal strategisch ondernemersgedrag leidt ertoe dat de neteigenaar het liefst ,,eigen stroom eerst'' levert. Niet voor niets hadden alle netbedrijven hun eigen `moeder' als noodleverancier aangewezen. Dat de overheid als eigenaar te weinig zou investeren in de netten, is bovendien tot nu toe niet gebleken. Nederland heeft de grootste importcapaciteit in Europa en beschikt over zeer betrouwbare netten. Dit is niet toevallig, omdat investeringen volledig kunnen worden gefinancierd uit het transporttarief. Het door de toezichthouder toegestane rendement is zelfs hoger dan de rente op obligaties, zodat het de overheid geld oplevert. Financiële deelname in netbedrijven is daarom zowel voor de staat als voor institutionele beleggers een aantrekkelijke optie. Daarentegen zullen institutionele beleggers wél terugschrikken voor investeringen in de risicovolle, commerciële, activiteiten van de huidige energiebedrijven.

Daarmee is tegelijk een kanttekening geplaatst bij het argument dat de waarde van de bedrijven wordt uitgehold als de commerciële en monopolistische delen uit elkaar worden gehaald. Het tegendeel blijkt zelfs het geval, zoals we in rijpere markten als Engeland zien. Het netwerk is immers het meeste waard als er zoveel mogelijk aanbieders op de schaarse

capaciteit bieden en het moederbedrijf niet wordt bevoordeeld.

Tegen verkoop van de netten (geheel of gedeeltelijk) aan onafhankelijke private partijen, zoals institutionele beleggers die niet zelf commercieel actief zijn op de energiemarkt, bestaat dan ook geen principieel bezwaar.

Voor het commerciële bedrijfsonderdeel geldt dat geen euro méérwaarde wordt geschapen als het teert op subsidie van een ander deel van het bedrijf. Dat versluiert alleen maar de werkelijke waardevorming. De commerciële activiteiten zijn bovendien voor andere commerciële partijen aantrekkelijker als overnamekandidaat zónder de netten en de daarmee verbonden loden last van regelgeving en toezicht.

Dit alles neemt niet weg dat de minister het belang van de aandeelhouders scherp in de gaten moet houden. Hij moet snel met hen om de tafel om de verdere uitvoering en fasering van het splitsingsbesluit te bespreken.

Ferd Crone en Paul de Krom zijn lid van de Tweede Kamer en maken deel uit van respectievelijk de PvdA-fractie en de VVD-fractie.