Smartelijk lied over tragische Durk uit Urk

De Avond van het Nieuwe Levenslied vormde gisteravond de afsluiting van het Amsterdams Kleinkunst Festival van dit jaar: ,,Mag ik een keertje mijn kindje zien?''

Een levenslied kan tegenwoordig ook gaan over een zekere Thijs die in Amsterdam Oud-West vriendschap heeft gesloten met Osama en Saïd, maar die afscheid van hen moet nemen omdat zijn ouders liever naar een blanke wijk in Amstelveen verhuizen. Of het kan de prangende vraag van een zaaddonor zijn, die bij voorbaat al een lijstje heeft gekocht om er een foto in te doen: ,,Mag ik een keertje mijn kindje zien?'' Zo bleek gisteravond in het Nieuwe de la Mar-theater in Amsterdam, waar de zeventiende jaargang van het Amsterdams Kleinkunst Festival werd afgesloten met twaalf nieuwe liedjes. Als het levenslied een smartelijke vertelling is met een meezingbaar refrein in driekwartsmaat, hadden maar weinig liedjesmakers zich aan de regels gehouden. Hoewel de twaalf gezongen teksten waren gekozen uit 160 inzendingen, werd lang niet alle leed in deze vorm opgedist. Veel kwaad werd al in de eerste regels geschetst zonder tot erger te leiden, vaak ontbrak er een refrein – en ook de muziek van de professionele componisten wilde lang niet altijd een onweerstaanbare deining vertonen. Eén nummer klonk zelfs meer naar Kurt Weill dan naar Johnny Hoes. Blijvertjes zaten er niet tussen.

Ietwat verdwaald was een liedje met een cryptisch soort cabaret-ironie, waarin de ik-figuur verslaafd blijkt te zijn aan het herdenken van oorlogen, rampen en andere calamiteiten. Joke Bruijs droeg het met alle vereiste chic voor, maar als levenslied leek het nergens naar. En de inzending van Fons Eickholt, ex-directeur van schrijversvakschool 't Colofon, was weliswaar door de rommelige dictie van Henk Westbroek niet geheel te verstaan, maar zo te horen ging het alleen maar over iemand die ondanks alle tegenslagen blijft zingen.

Het opmerkelijkste lied was Amsterdam Hilton 2001, waarin tekstdichter Adam Bock beschreef hoe een rock-ster in een hotel naar boven loopt, langs ,,de ladder van het succes''. Hoe het afliep, bleek slechts uit de ijselijke kreet aan het slot – met alle vereiste pathetiek ten gehore gebracht door de in dit genre doorknede Jacques Herb. Zijn collega Harry Slinger was een veel minder raak nummer toebedeeld, dat hij echter vol drama voordroeg.

Het AKF deelt geen prijzen uit – dat zo'n tekst op muziek wordt gezet en door een echte vocalist wordt gezongen, is de bekroning. Maar het grootste publiekssucces ging onmiskenbaar naar Jan Marten de Vries, met een parodie op een smartlap: over de visser Durk uit Urk, die een gruwelijk lot is beschoren. Blijkbaar is het levenslied tegenwoordig een parodistisch genre geworden.