Nederlandse spierballen hebben effect

De interne markt gaat per 1 mei open voor de nieuwe lidstaten van de Europese Unie, ondanks tegenstand uit Den Haag. Maar de opstandige Nederlanders hebben wel succes geboekt.

Heeft Nederland met zijn assertieve politiek aangaande de uitbreiding van de Europese Unie daadwerkelijk iets bereikt?

Dat is de vraag die resteert na een bijeenkomst, gisteren in Luxemburg, van de ministers en staatssecretarissen voor Europese Zaken van de vijftien lidstaten. Ze stemden daar in met een voorstel van de Europese Commissie om 1.006 bedrijven in de tien toetredende nieuwe Europese lidstaten voorlopig uit te sluiten van de interne markt omdat ze nog niet aan alle eisen voldoen, bijvoorbeeld wat betreft voedselveiligheid.

Even belangrijk, met name voor Nederland, was wat de Commissie niet voorstelde. Volgens verantwoordelijk Europees Commissaris Verheugen (Uitbreiding) hebben de tien nieuwe leden van de Europese familie zoveel vooruitgang geboekt in het voldoen aan alle eisen, dat het niet nodig is om zogeheten vrijwaringsmaatregelen in te roepen. Hierdoor zouden hele economische sectoren zoals de zuivel of de vleesverwerking van een of meer nieuwe lidstaten voorlopig niet mogen exporteren naar andere EU-lidstaten. Nu zijn het alleen de 1.006 aangewezen bedrijven die niet mogen exporteren.

De vrijwaring voor hele sectoren was het extra dreigmiddel dat op aandringen van Nederland eind vorig jaar was opgenomen in het Uitbreidingsverdrag om de aanpassing van de lidstaten aan de Europese eisen te versnellen.

Sinds het voorstel van de Europese Commissie eind vorige week bekend werd, woedt in Den Haag een kleine politieke interpretatiestrijd. Zie je wel, zeggen regeringspartijen CDA, VVD, en ex-regeringspartij LPF: Het is goed dat we de `vrijwaring' als zwaard van Damocles boven de tien toetreders hebben laten hangen. Dat heeft de door de Commissie geconstateerde vooruitgang versneld.

Onzin, reageerde de PvdA, en de rest van de linkse oppositie. Het uiteindelijke voorstel van de Commissie laat juist zien dat het aan de eigen instrumenten van uitsluiting van individuele bedrijven genoeg heeft om controle op de uitbreiding te houden. De vrijwaring vormt in deze optiek vooral onderdeel van de spierballenpolitiek richting Europa, die past bij post-Fortuynistisch Nederland.

Feit is dat Nederland er in slaagde de vrijwaring op de agenda van Europa en in het Verdrag van Toetreding voor de nieuwe lidstaten te krijgen. Dat gaat in tegen het bestaande beeld van Europa als schepper van voldongen feiten, een klacht die onlangs nog in de discussie over de mogelijke Turkse toetreding te beluisteren viel. De vrijwaring hielp de uitbreiding van de Unie daarmee voor een sceptisch Nederland, de VVD voorop, aan extra legitimiteit.

Daarna wordt het beeld van de feitelijke Nederlandse bijdrage echter vager. Wat hebben inspecteurs van de Europese Unie of de veterinair inspecteurs van de lidstaten de afgelopen maanden in boerderijen, slachterijen, fabriekshallen of kantoorruimten precies gezegd? Is daar de vrijwaring als dreigement vaak aan de orde geweest? En hoe werd daar op gereageerd?

De opmerking die de Europese Commissie zelf in haar eindrapportage over dit onderwerp maakt, is voor tweëerlei uitleg vatbaar. In zijn presentatie voor de permanente vertegenwoordigers van de (nu nog) vijftien lidstaten, zei directeur-generaal Fabrizio Barbaso van de Europese Commissie vorige week donderdag dat ,,de dreiging van de vrijwaringsclausule de betreffende landen overtuigd heeft dat ze hun voorbereidingen moesten versnellen.''

Het was een opmerking die door staatssecretaris Nicolaï (VVD, Europese Zaken) en zijn partijgenoten in de Tweede Kamer als bewijs voor het eigen gelijk is opgetekend. Maar ze kan net zo goed worden geïnterpreteerd als een politiek statement: een Brusselse aai over de bol van de, de laatste tijd wat opstandige, Nederlanders.

Belangrijker is wat ter plekke wordt gezegd. Magdalena Opalka, Pools medewerkster van de delegatie van de Europese Unie in Warschau, en verantwoordelijk voor visserij, voedselveiligheid en veterinaire controles, geeft een genuanceerd beeld: ,,De wereld is niet zwart-wit. Er zou ook vooruitgang in Polen zijn geboekt zonder vrijwaringsclausules. Maar ze hebben natuurlijk altijd wel invloed: zelfs als je van mening bent dat het weinig invloed heeft, is het altijd iets dat meespeelt in je achterhoofd. Toen de dreiging van clausules een jaar geleden werd uitgesproken, ging het in Polen al de goede kant op. De upgrading bij voedselproducenten was al in gang gezet. Maar sinds het voortgangsrapport van november vorig jaar, dat negatief was, is extreem veel vooruitgang geboekt, moet ik toegeven.''

Ten slotte lijkt het erop dat Nederland met zijn actieve houding heeft bijgedragen aan de kwaliteit van de inspecties ter plekke in de nieuwe lidstaten – zo'n dertig tussen januari en april van dit jaar meldde Barbaso in zijn rapportage. De Europese Commissie beschikt weliswaar over een inspectieapparaat van het Bureau voor Voedsel en Veterinaire Zaken. Maar de omvang ervan is lang niet toereikend om alles zelf in de tien nieuwe lidstaten in de gaten te houden. Daarom baseert het Bureau zich mede op signalen die ter plekke door bijvoorbeeld medewerkers van de Nederlandse ambassades, landbouworganisatie LTO en het Productschap voor Vee, Vlees en Eieren worden opgevangen.

Begin deze maand werd bekend dat de Unie extra veterinair experts naar Oost-Europa stuurt, met het oog op nog betere controles. De aankondiging dat ook Nederlandse experts bij deze controles zouden helpen, was gezien de grote Haagse belangstelling voor dit onderwerp waarschijnlijk geen toeval.

Met medewerking van Stéphane Alonso