In strafzaken moet niet bemiddeld worden

Bemiddeling in het strafrecht kan slechts een interessante aanvulling zijn op bestaande procedures, meent Ido Weijers.

Het voornemen van minister Donner om mensen die een conflict hebben te stimuleren níét naar de rechter te stappen maar (eerst) te kiezen voor bemiddeling, wordt door sommigen aangegrepen om verdergaande stappen te bepleiten. Bemiddeling zou niet beperkt moeten blijven tot civiele kwesties. Hogenhuis en Smolders spreken in NRC Handelsblad van 21 april al van een `gemiste kans', als bemiddeling niet ook in het strafrecht wordt gestimuleerd. Bemiddeling in het strafrecht verdient zeker aandacht en zorgvuldige evaluatie. Maar er zijn op dit moment nog veel te veel onbeantwoorde vragen.

Typerend voor de overhaaste benadering is het taalgebruik. Gesproken wordt over conflicten in plaats van over delicten. Daarmee doet men het voorkomen alsof het gaat om het overplanten van de verhoudingen tussen partijen in de civiele sfeer naar de strafrechtelijke sfeer. Als iemand bij u inbreekt of u op straat berooft, hebt u echter geen conflict, noch iets om samen op te lossen. Wij voelen ons als burger juist prettig bij de zekerheid dat politie en justitie hier het initiatief en de beslissingen nemen.

In sommige gevallen willen wij als slachtoffer wellicht wel in gesprek worden gebracht met de dader, meestal om te horen of deze spijt heeft van zijn daad. Dat zou ons hoogstwaarschijnlijk opluchten en misschien iets kunnen herstellen van het leed dat ons is aangedaan, al is het maar symbolisch. Maar dat betekent allerminst dat we met onze dader willen worden geconfronteerd alsof wij samen iets hebben op te lossen in een onderling conflict.

Dit onheldere taalgebruik gaat meestal gepaard met een ander punt van verwarring: de ambities van bemiddeling in het strafrecht. Opnieuw naar analogie met het civiele recht wordt bemiddeling vaak voorgesteld als een alternatief voor justitiële bemoeienis. Bemiddeling of herstel in het strafrecht betreft echter slechts een mogelijke, interessante aanvulling op bestaande procedures. Waar het om draait is dat de zitting bij de rechter en het gesprek tussen dader en slachtoffer niet tot elkaar zijn te herleiden. In het eerste geval gaat het om de betekenis van het delict voor de gemeenschap; in het tweede geval om de betekenis daarvan voor het slachtoffer. Een gesprek kan alleen al niet in de plaats komen van een zitting, omdat in de zitting de onafhankelijke rechter de mate van schuld moet vaststellen en daar ook de proportionele strafmaat dient vast te leggen. Dat maakt deel uit van het soort rechtszekerheid dat kenmerkend is voor onze rechtsgemeenschap.

In het verlengde ligt een veelvoorkomend misverstand over de veronderstelde bezuiniging die bemiddeling in strafzaken zou kunnen opleveren. Omdat bemiddeling in de civiele sfeer inderdaad in de plaats kan komen van een zitting bij de rechter, kan dat, mits het spel volgens de regels wordt gespeeld, in principe een besparing opleveren. Dat is bij bemiddeling en herstel naar aanleiding van een delict niet het geval. Bemiddeling kan de strafrechtelijke bemoeienis niet vervangen en levert daarom vermoedelijk geen vermindering van kosten op, althans niet op de korte termijn. Alleen al een goede voorbereiding van het gesprek en goede controle op de uitvoering van de overeenkomsten brengen in eerste instantie extra kosten met zich mee.

Het terrein waar inmiddels de meeste ervaring is opgedaan met bemiddeling en herstel naar aanleiding van een delict is het jeugdstrafrecht. Dit is ook het terrein waar we van deze aanpak de meeste verwachtingen mogen hebben wat betreft de mogelijk positieve invloed op de daders, zeker als de ouders daar intensief bij worden betrokken.

Toch is het op dit moment nog veel te vroeg om bemiddeling in jeugdstrafzaken te bepleiten. We weten nog nauwelijks iets over de mogelijke voorwaarden die vereist zijn voor de betrokkenheid van ouders, en voor de bemoeienis van deskundigen. Het is allesbehalve duidelijk welke plaats het gesprek precies moet krijgen in de strafrechtelijke context, er is veel onzekerheid over welk soort zaken zich eigenlijk leent voor deze aanpak en zelfs over het wenselijke karakter en de `techniek' van het herstelgesprek bij jongeren weten we nog veel te weinig.

Ido Weijers is pedagoog en hoogleraar Jeugdrechtspleging aan de Universiteit Utrecht.