Het bouwen kan beginnen

Het rijk wil zich alleen nog bemoeien met ruimtelijke ordening van nationaal belang. De verstedelijking moet zich beperken tot zes stedelijke netwerken.

Een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Dat is waaraan het kabinet-Balkenende hoopt bij te dragen met zijn ruimtelijk beleid voor de komende kwart eeuw. Vandaag heeft het kabinet daartoe definitieve plannen gepubliceerd in de Nota Ruimte. Eindelijk, zou je kunnen zeggen, want het stuk was al beloofd voor eind 2003 en soortgelijke nota's van eerdere kabinetten haalden de Tweede Kamer niet.

De belangrijkste beleidswijziging is dat het rijk zich enigszins terugtrekt uit de ruimtelijke ordening en meer beleid overlaat aan provincies, gemeenten, projectontwikkelaars en woningcorporaties. Anders dan nu krijgen gemeenten en provincies meer vrijheden om te bouwen wat ze willen. En drong de Tweede Kamer enkele jaren geleden nog aan op het stellen van grenzen door het kabinet bij de bebouwing van de open ruimte – iets waarvoor toenmalig minister Jan Pronk de rode contouren bedacht – nu stelt de huidige minister Sybilla Dekker namens het kabinet onomwonden dat het gehoor geeft aan de roep om minder Haagse regels, meer ruimte voor lokale besluitvorming, en stimuleren in plaats van verbieden of toelaten. ,,Het rijk heeft niet de wijsheid in pacht, laat staan alle oplossingen klaar liggen'', zo schrijft het kabinet. En: ,,Dit is anders dan de praktijk van de afgelopen decennia waarin regels en middelen wel vaak centraal stonden. De goede beleidsvoornemens hadden in het verleden hierdoor lang niet altijd het gewenste resultaat.''

Het is echter niet zo dat dit kabinet zich helemaal terugtrekt. Er zijn en blijven nog talloze regels waaraan lagere overheden zich moeten houden. Gemeenten krijgen de ruimte om huizen voor hun ,,natuurlijke bevolkingaanwas'' te bouwen, maar het rijk geeft in de Nota Ruimte wel aan waar de grootschalige verstedelijking van Nederland bij voorkeur moet plaatsvinden. Bovendien zijn er twintig nationale landschappen aangewezen waar beperkingen gelden. Dekker vraagt ook aandacht voor `groen in de stad'.Beperkingen gelden ook in Europees beschermde natuurgebieden en gebieden die tot het werelderfgoed behoren. Over deze gebieden maakt het kabinet zich zorgen. ,,Op verschillende plaatsen in Nederland is zichtbaar dat het landschap `verrommelt' en versnippert. Zelfs gebieden die tot het werelderfgoed worden gerekend, worden soms aan het zicht onttrokken of overwoekerd door nieuwe bebouwing''. Bovendien gaat het rijk zich intensief bemoeien met gebieden die van groot nationaal belang worden geacht.

Het ruimtelijk beleid van dit kabinet moet vooral een bijdrage leveren aan de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland. Als de haperende economie aan de praat kan worden gebracht door ruimtelijke maatregelen, zal dat gebeuren. De mainports Schiphol en de Rotterdamse haven zijn voor de economie van de Randstad Holland en daarmee voor geheel Nederland van grote betekenis en moeten zich verder kunnen ontwikkelen. Zo mogen er geen woningen meer onder vliegroutes van Schiphol worden gebouwd, en vervallen grootschalige bouwplannen in de Legmeerpolder ten zuiden van Amstelveen, Noordwijkerhout en Hoofddorp. Om de haven van Rotterdam te steunen wordt ruimte gemaakt voor driehonderd hectare havengerelateerde bedrijventerreinen aan de noordrand van de Hoeksche Waard. De regio Eindhoven wordt tot `brainport' gebombardeerd. Verder zijn er vijf zogenoemde greenports aangewezen voor hoogwaardige tuinbouw.

Nederland wordt niet volgebouwd. Het kabinet kiest voor gebundelde verstedelijking, dat wil zeggen dat de bebouwing zich moet concentreren in zes nationale stedelijke netwerken: de Randstad Holland, de Brabantse stedenrij (Brabantstad), Zuid-Limburg, Twente, Arnhem-Nijmegen en Groningen-Assen. Er moet in deze steden veel én gevarieerd worden gebouwd. ,,De tweedeling tussen rijke en arme stadsdelen, maar ook tussen een relatief arme, multiculturele stad en een relatief welvarend, autochtoon ommeland, vraagt om een scala aan maatregelen.''

De stedelijke netwerken moeten aantrekkelijke centra hebben en op infrastructurele knooppunten internationale bedrijven trekken. Het rijk steunt daartoe vijf sleutelprojecten met als belangrijkste het Amsterdamse kantorenuniversum Zuidas. De zes stedelijke netwerken worden met elkaar verbonden door zogenoemde hoofdverbindingsassen, de ,,ruggengraat van de Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur''. Knelpunten op de belangrijkste rijkswegen A2, A4 en A12 moeten met voorrang worden weggewerkt en het kabinet zet ook de aanleg van de Zuiderzeelijn door, een snelle spoorverbindingen tussen Schiphol naar Almere en Groningen, bij voorkeur een magneetzweefbaan.

De enige plaats waar de keuze voor gebundelde verstedelijking tot werkelijke problemen leidt, is de Randstad. Er is hier zo weinig ruimte voor woningbouw, dat de grenzen van het nationale landschap Groene Hart op drie plaatsen worden ,,aangepast'' – bij Utrecht, tussen Muiden en Weesp en bij Waddinxveen – en dat tussen Leiden en Alphen verstedelijking wordt toegestaan. Ook in de Haarlemmermeer en de Bollenstreek zal weer naar woningbouwlocaties worden gezocht. In deze zone is eerder de bouw van een `Bollenstad' onderzocht en uiteindelijk door de regio zelf afgewezen.