Glimmend leer, laffe lucht

Je hebt mensen die het een leuk werkje vinden en je hebt er waarschijnlijk evenveel die het verafschuwen. En je hebt een nog grotere groep die niet eens meer weet wat het is: schoenen poetsen.

De poetsers hebben gelijk. Je moet er even de tijd voor nemen, maar dan is het een heel bevredigend werkje. Iets wat er oud en vuil uitzag weer als nieuw maken: wie wil dat nu niet? Toch wordt het de liefhebbers niet gemakkelijk gemaakt, want een van de belangrijkste genoegens van het schoenpoetsen is verdwenen.

De schoensmeer ruikt niet meer naar schoensmeer.

Koop nu een blikje schoensmeer of een potje schoenpasta, haal de deksel eraf en houd je neus er boven. Je bereidt je voor op de kruidige mix van petroleum, bijenwas en tsja, schoensmeer, maar bij een potje Kiwi ruikt het nu naar kunstbloemen en bij een potje Woly slaat de lucht van oud rubber, wc-eend en goedkope herensokken je tegemoet. Woly in een blikje ruikt zelfs helemaal nergens meer naar.

,,De typische schoensmeerlucht is uit de blikjes weg'', beaamt een deskundige bij Kiwi. ,,Dat komt doordat we de aromaten zoveel mogelijk verwijderd hebben uit de petroleum die we als oplosmiddel gebruiken. Want die aromaten zijn niet zo gezond. En dat doen we niet alleen voor de schoenpoetsers, maar ook voor de mensen die het moeten produceren. Bij de potjes is het nu een emulsie, we gebruiken daar water als oplosmiddel en we hebben er een licht parfum ingestopt, om het toch nog ergens naar te laten ruiken.''

Behalve de schoensmeerlucht is er trouwens nog iets weg: het merendeel van de vaderlandse schoensmeermerken. Erdal, Glim, Glanzo, Lilo vroeger had bijna elke stad zijn schoensmeer. Wat resteert is genoeg voor de langzaam krimpende schoensmeermarkt: merken als Collonil, Woly, Tana, Kiwi en een paar huismerken van grote ketens. De productie geschiedt geheel in het buitenland.

Waarom poets je je schoenen? Om drie redenen. Ze worden mooi en glanzend, ze blijven soepel en ze worden weer redelijk waterdicht. Pigmenten in de crème voorzien de kale plekken weer van een kleur en in de crème opgenomen wassoorten (van bijenwas tot de was die gewonnen wordt uit de bladeren van de Braziliaanse carnaubapalm) houden de vethuishouding van het schoenleer op peil. Dat is noodzakelijk, want in het looiproces worden met allerlei chemicaliën de dierlijke vetten uit het leer gehaald. Als die niet worden aangevuld wordt het leer hard en bros, en kan het zelfs breken. Door het bovenste laagje was met een doek of een zachte borstel uit te poetsen krijg je tenslotte een mooie glanslaag op de schoen.

De klassieke schoensmeer in platte blikjes zie je niet veel meer, het zijn nu de glazen potjes met schroefdeksel die de schappen domineren. De indruk dat er in de platte blikjes meer was zit, wordt door de branche bestreden – het is alleen een kwestie van een ander oplosmiddel. In de potjes is dat tegenwoordig dus water, en de laffe lucht zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het conserveermiddel dat dan nodig is.

De potjes hebben boven blikjes wel een voordeel: ze sluiten beter af. In blikjes wil de schoensmeer door verdamping van het oplosmiddel nog wel eens verharden tot losse brokjes. Met een paar druppels terpentine is dat euvel snel verholpen.

Als je door de sneeuw of de regen hebt gelopen verschijnen er wel eens van die witte kringen op het leer. Probeer die nooit weg te poetsen, want ze komen dan alleen maar onder de waslaag te zitten. Die kringen – opgedroogde kalk- en zoutresten – moet je met wat lauw water en azijn eerst voorzichtig wegdeppen. Dan moeten de schoenen drogen. Dat gaat het beste met een prop krantenpapier er in en op een goed geventileerde plek, nooit vlakbij de kachel of op de verwarming. Zijn ze goed droog, poets ze dan.

oosterbaan@nrc.nl