Geurmoleculen

De zon scheen en de berm was groen. Ofschoon het filenieuws geen melding maakte van `de dagelijkse' verstoppingen rond Eindhoven, was ik er niet gerust op. Het filenieuws holt vaak achter de feiten aan. Maar ook zonder file was het nog maar de vraag of ik de zeer gewichtige afspraak in Tilburg op tijd zou bereiken. Tussen Geldrop en Eindhoven gebeurde er iets dat mij eerst mild stemde jegens onze overvolle snelwegen, en dat vervolgens het zwartste afsprakenscenario voorzag van een rand van geluk: de klok werd een flink aantal jaren teruggedraaid.

Wanneer precies de landbouwwet is ingesteld die bepaalt dat de boeren hun mest niet meer klakkeloos over het land mogen uitrijden maar met behulp van een ingewikkeld toestel achterop de gierton in de bodem moeten injecteren, weet ik niet meer, maar ik rook duidelijk dat er in de buurt een boer in overtreding was. De overtreding werd via de ventilatie- openingen het interieur in geblazen. Ik smolt.

De dorpskern waar ik opgroeide lag als een eiland in een stille agrarische oceaan. Een oceaan van mest mag ik wel zeggen, want het wemelde er van de koeien- en varkenstallen. Uit welke richting de wind ook waaide, altijd droeg hij op zijn vleugels de penetrante odeur van de intensieve veehouderij. Verschoonde mijn moeder mijn bed dan waren de lakens, zo van de wasdraad, bezwangerd met de geurmoleculen van gier die, als visjes in een net, in de krakende vezels verstrikt waren geraakt. Het sliep uitstekend.

Zowel mijn vader als mijn moeder is van boeren komaf. Desondanks vind ik het overdreven te stellen dat de gier me in de genen zit. Maar dat gier voor mij alles heeft te maken met jeugdige frisheid staat buiten kijf.

Niet dat het rozengeur en maneschijn was op het platteland. Integendeel, van intensieve kippenhouderij moest ik niets hebben. Kippenmest is zeer onaangenaam qua reuk. Tussen lakens die te drogen waren gehangen tijdens het uitrijden van kippenmest kon ik de slaap moeilijk vatten. Te sterk en te agressief waren me de geurmoleculen. Ze benamen je de adem. Op een of andere manier deed kippenmest me denken aan de dood. Ik was toch meer een kind van de varkens- en de koeienmest.

Vanaf het moment dat ik besloot wielrenner te worden – op zeker tijdstip tussen mijn achtste en mijn tiende levensjaar – kan worden gesproken over een intensivering van het contact – zeg maar gerust van een verdieping – tussen de mest en mij. Enthousiast uitwaaierend op mijn meisjesfiets met racestuur over B-weggetjes rondom de dorpskern wist ik mij omgeven door giertonnen achter tractoren op akkers. Rechtstreekse strontinjectie in de bodem was niet aan de orde, de gierton spoot als een fontein in een fraai patroon. En in een even fraai patroon verspreidden de geurmoleculen zich over de omgeving. Ik zat er middenin.

Ik herinner me een middag in de velden. Een boer spoot zijn gierton leeg. De wind zat verkeerd. Behalve geurmoleculen ontving ik een nevel aan concrete stront. Die middag boog ik diep voor mens en voor natuur.