Brits Midden-Oostenbeleid is uitzichtloos

Hieronder volgt de letterlijke tekst van de brief die Britse ex-diplomaten aan premier Blair hebben gestuurd.

Beste premier: wij, ondergetekenden, voormalige Britse ambassadeurs, hoge commissarissen, gouverneurs en hoge internationale functionarissen, onder wie enkelen met veel ervaring in het Midden-Oosten en anderen met ervaring elders, hebben met toenemende bezorgdheid het beleid gadegeslagen dat u, in nauwe samenwerking met de Verenigde Staten, hebt gevolgd ten aanzien van het Arabisch-Israëlische probleem en Irak. Na de persconferentie in Washington waarop u en president Bush dit beleid hebben bevestigd, menen wij dat het ogenblik gekomen is om aan onze verontrusting ruchtbaarheid te geven, in de hoop dat er in het parlement aandacht aan zal worden geschonken en dat zij zal leiden tot een fundamentele heroverweging.

Het besluit van de VS, de EU, Rusland en de VN om een `routekaart' te lanceren om het conflict tussen Israël en de Palestijnen op te lossen, wekte de hoop dat de grote mogendheden eindelijk een vastberaden, gezamenlijke poging zouden ondernemen om een probleem op te lossen dat, meer dan welk ander ook, tientallen jaren lang de betrekkingen tussen het Westen en de islamitische en Arabische wereld heeft vergiftigd. De juridische en politieke grondslagen voor zo'n oplossing stonden reeds lang vast: president Clinton had tijdens zijn bewind aan het probleem gewerkt, het was duidelijk welke ingrediënten voor een regeling noodzakelijk waren, en over ettelijke van die ingrediënten waren al informele overeenkomsten tot stand gebracht. Maar de hoop bleek niet gegrond. Er is niets doeltreffends gedaan om hetzij de onderhandelingen vooruit te helpen hetzij het geweld te beteugelen. Groot-Brittannië en de andere peetvaders van de `routekaart' deden niets dan wachten op de Amerikanen, maar zij wachtten tevergeefs.

Het zou nog erger worden. Na al die verspilde maanden is de internationale gemeenschap nu geconfronteerd met de aankondiging, door Ariel Sharon en president Bush, van een nieuw beleid, een eenzijdig en illegaal beleid, dat nóg meer Israëlisch en Palestijns bloed zal kosten.

Onze ontsteltenis over deze stap achteruit wordt nog verergerd, doordat u die kennelijk zelf hebt gesteund, met voorbijgaan aan de leidende principes van bijna veertig jaar internationale inspanningen om de vrede in het Heilig Land te herstellen, principes die de grondslag vormden van de successen die door die inspanningen zijn gerealiseerd.

Deze principes worden verlaten op een moment waarop wij, terecht of niet, in heel de Arabische en islamitische wereld worden afgeschilderd als partners in een illegale, brute bezetting van Irak.

Uit de wijze waarop de oorlog is gevoerd, is duidelijk gebleken dat er geen doeltreffend plan bestond voor de situatie ná Saddam. Iedereen die ervaring had met de regio, had voorspeld dat de bezetting van Irak door de coalitietroepen op ernstig, hardnekkig verzet zou stuiten – en dat is ook gebeurd. Om dat verzet op het conto te schrijven van terroristen, fanatici en buitenlanders is noch overtuigend, noch praktisch. Het beleid dient rekening te houden met de aard en de geschiedenis van Irak, het ingewikkeldste land van de regio. Hoezeer de Irakezen ook mogen verlangen naar een democratische samenleving, het is naïef om te denken dat die nu door de coalitie zou kunnen worden gevestigd. Dat is de opvatting van alle onafhankelijke kenners van de regio, in Groot-Brittannië zowel als in Amerika.

Wij zijn verheugd dat u en de president de door Lakhdar Brahimi geschetste voorstellen hebben verwelkomd. Wij moeten klaarstaan om alle steun te verschaffen waar hij om vraagt, en om de Verenigde Naties te machtigen om samen met de Irakezen zelf, ook met hen die nu actief verzet bieden tegen de bezetting, de puinhoop op te ruimen.

Het militaire optreden van de coalitietroepen moet worden gestuurd door politieke doelstellingen en door de vereisten van het strijdtoneel in Irak, niet door criteria die daar nauwelijks mee te maken hebben. Het is niet voldoende om te stellen dat het gebruik van geweld een zaak is voor de bevelhebbers ter plaatse. Zware wapens die ongeschikt zijn voor de onderhavige taak, opruiende taal, de huidige confrontaties in Najaf en Fallujah – door dat alles is de oppositie eerder versterkt dan geïsoleerd. Waarschijnlijk hebben de coalitietroepen bij elkaar tussen de 10.000 en 15.000 Irakezen gedood – het is een schande dat de coalitietroepen hiervan geen schatting schijnen te kunnen maken –, en de afgelopen maand zijn er alleen in Fallujah kennelijk al enkele honderden gedood, onder wie vele burgers: mannen, vrouwen en kinderen. Frasen als ,,Wij betreuren ieder verloren mensenleven. Wij brengen hun en hun families een saluut voor hun dapperheid en voor het offer dat zij gebracht hebben'', die kennelijk alleen slaan op de mensen die aan de zijde van de coalitie zijn gesneuveld, zijn niet bepaald geschikt om de heftige emoties te temperen die deze doden oproepen.

Wij delen uw standpunt dat het in het belang van de Britse regering is om in deze twee met elkaar verbonden kwesties zo nauw mogelijk met de VS samen te werken, en om als loyale bondgenoot wezenlijke invloed uit te oefenen.

Wij menen dat aan een dergelijke invloed op dit moment de nijpendste behoefte bestaat. Als dat onaanvaardbaar of onwelkom is, is er geen reden om een beleid te steunen dat gedoemd is te mislukken.

De lijst van ondertekenaars is te vinden op www.nrc.nl/opinie