Zet niet alles in op oorlog voeren

Nu de nadruk voor militaire missies sterker op veiligheid na de eigenlijke oorlog komt te liggen, moet de defensieplanning daar beter op inspelen, meent J. Schaberg.

De wereld houdt de adem in bij wat er in Irak gebeurt. In Afghanistan vragen zowel de VN als de NAVO dringend om extra troepen om opnieuw uitbreken van geweld te voorkomen. Er wordt nauwelijks op gereageerd. Ook in Kosovo is het nog verre van rustig. Tegelijk is er sprake van publieke en politieke matheid. Zijn die conflicten wel ons probleem?

Echter, noch de Balkan, noch Afghanistan, Irak of bijvoorbeeld de Kaukasus kunnen aan hun lot worden overgelaten. Europa zou dan omgeven worden door een hele gordel van falende staten, ongestoorde uitvalsbases voor terrorisme met steeds bedreigender middelen en migratiestromen die onze westerse maatschappij aan het wankelen kunnen brengen.

Nederland moet deze problematiek aan de orde stellen. Dat houdt ook in zelf verantwoordelijkheid nemen en voldoende troepen gereed houden en inzetten waar dat nodig is.

Ook moet de vraag worden gesteld of de Nederlandse defensie-inspanning, gezien de internationale veranderingen in het afgelopen decennium, niet moet worden aangepast. Maar iedereen loopt om die vraag heen. De regering zegt in haar medio deze maand aan de Kamer aangeboden beleidsnotitie over vredesoperaties, dat gebleken is dat de vraag naar stabiliteit groter is dan het aanbod aan politieke en militaire middelen – maar ze verbindt daaraan geen conclusies.

Eerder al had de regering aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken de vraag voorgelegd of recente ervaringen met militaire interventies invloed moeten hebben op de samenstelling van de krijgsmacht. In haar op 13 april verschenen rapport ontwijkt de Raad echter die vraag, maar zegt vervolgens wel dat Nederland het accent moet leggen op operaties waar de hoogwaardige samenstelling van onze krijgsmacht het best tot zijn recht komt. Dat is een gevaarlijke cirkelredenering die vragen oproept en tot verkeerde investeringen leidt.

Nog meer vragen roept de onlangs verschenen studie van het Instituut Clingendael op, die in opdracht van het Nederlandse Marinebouw Cluster werd verricht. De conclusie daarvan, niet verwonderlijk gezien de opdrachtgever, is dat Nederland voor taken langs de evenaar moet beschikken over snelle langeafstandpatrouilleschepen met helikoptercapaciteit en fregatten met kruisvluchtwapens voor taken elders. Nederland?

Vorige maand zette minister Kamp van Defensie het regeringsbeleid ten aanzien van de krijgsmacht uiteen. Hij benadrukte daarbij dat onze krijgsmacht ook tot oorlog voeren in staat moet zijn en sprak daarbij bijvoorbeeld over de verwerving van kruisvluchtwapens (NRC Handelsblad, 2 maart).

We mogen de risico's van vrede-afdwingen zeker niet op anderen afschuiven. De kernvraag is echter: met welke middelen wil Nederland oorlog voeren? En welke prioriteit heeft dat in relatie tot andere veiligheidsproblemen? De les van het recente verleden is dat telkenmale de oorlogsfase van korte duur is, waarna het langdurige en onzekere proces naar vrede begint. Het meest urgente probleem, nu en voor de toekomst, is dat daarvoor te weinig militaire middelen zijn. Het Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs signaleert deze maand dat in de Amerikaanse strijdkrachten te veel de aandacht is uitgegaan naar hoogtechnologische middelen. Als gevolg daarvan zijn er te weinig eenheden voor de belangrijke fasen na het conflict. Dat wreekt zich schrikbarend en moet snel worden gecorrigeerd, aldus het blad. Het Pentagon heeft die boodschap al serieus genomen.

Dat alles moet richtinggevend zijn voor het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid. Alle middelen van de krijgsmacht, behalve die voor strikt nationale verplichtingen, moeten geschikt zijn voor peacekeeping en post-conflictsituaties, waarbij altijd rekening moet worden gehouden met onverwachte geweldsescalaties. Die middelen zijn dan ook geschikt bij het eventueel afdwingen van vrede, zeg oorlog voeren.

Dat moet het uitgangpunt zijn: geen specifieke middelen alleen voor oorlog voeren – nog afgezien van de politieke problemen van oorlogvoering door coalities. Zo halen we het beste rendement uit het beschikbare budget. Realistische scenario's moeten de basis zijn voor onze defensieplanning, geen allure ophoudende concepten uit vergane tijden. We zijn een klein land en moeten de prioriteiten scherp stellen. We hoeven niet overal bij te zijn, maar wel daar waar de grootste problemen zijn.

Die liggen nu in Irak en voor Nederland in de Nederlandse sector aldaar. Er is veel onzekerheid, maar dat is op zich geen reden om ons nu terug te trekken. De Nederlandse eenheden zijn, zowel qua materieel als qua training, in staat om daar in een hoger geweldsniveau te opereren. Een versterkt pantserinfanteriebataljon kan heel wat aan. Ook is, indien de situatie daar totaal wijzigt, een veilig afbreken van de operatie een realistische optie, omdat de afstand tot de grens met Koeweit slechts 350 kilometer bedraagt en hoofdzakelijk door dunbevolkte gebieden loopt.

Of Nederland in Irak de taak wil voorzetten, is een politieke beslissing, geen militaire noodzaak. Afbreken heeft grote consequenties. Als andere landen dat ook zouden doen, ontstaat een verschrikkelijke regionale chaos. We laten de bevolking schaamteloos in de steek. We laten bondgenoten in de kou staan. We verliezen als land geloofwaardigheid. In toekomstige conflictsituaties zijn we voor plaatselijke bevolkingen gebrandmerkt als onbetrouwbaar en voor vijandige elementen als een land dat zich gemakkelijk laat wegjagen. Op de Balkan, in Afghanistan en elders kan dat zich tegen ons gaan keren.

Grote woorden over ambities voor oorlog voeren kan Nederland beter achterwege laten, eerst maar eens tonen wat we in een cruciale situatie als de huidige waard zijn.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de landmacht.