Sjezen

Sasselewiebenen. Nee, sjasselewiebenen is geen Jiddisch woord. De lettercombinatie sj doet dit wel vermoeden, maar de meeste informanten kenden het juist zonder j, dus als sasselewiebenen. Het betekent `kromme benen' en het wordt ook gebruikt in de verbinding lopen met sasselewiebenen voor `op een wiebelende, onvaste manier lopen'.

Sasselewiebenen is een typisch volkswoord. Het heeft de algemene woordenboeken nooit gehaald; in de spreektaal werd en wordt het wel gebruikt, maar het is zelden opgeschreven en dan varieert de spelling. Op schrift is het in 1935 voor het eerst aangetroffen, in een afwijkende vorm, in het beroemde kwajongensboek Polletje Piekhaar van de Rotterdamse schrijver Willem van Iependaal. Over een oude man met kromme benen schreef Van Iependaal: ,,dat ouwe binkie met die sasselewasbeene''.

Sasselewiebenen is het bekendst in Zuid-Holland, zo blijkt uit de diverse opgaven van lezers. Het is onder meer gesignaleerd in Rotterdam, Dordrecht, Leiderdorp, Vlaardingen en Voorburg. Een informant schreef: ,,In mijn jeugd, omstreeks 1930 in Rotterdam, was sasselewiebenen in de spreektaal een normale, zelfs redelijk frequent voorkomende kwalificatie.'' In de havenstad had men het ook wel over horrelowiebenen, en in een Dordts dialectwoordenboekje uit 1983 is het opgenomen als sasselewiet-bene.

Alles goed en wel, maar waar komt dit woord nu vandaan? Het zal duidelijk zijn dat lewie of lowie een verbastering is van de Franse naam Louis. Maar vanwaar dat s(j)asse?

Diverse lezers dachten aan het Franse chasse voor `jacht' en fantaseerden er een krombenige koning Louis bij, die, zoals het koningen betaamt, graag uit jagen ging. Maar er is een verklaring die veel overtuigender is: veel stoelen die tijdens het bewind van vooral Louis XV (1715-1774) in de mode waren, hadden van die typische, golvende poten. Kromme poten dus. En hoe heet zo'n stoel in de Lodewijkstijl? Inderdaad, een chaise Louis. Geloof me, in de volksmond is het slechts een kleine stap van chaise Louis naar s(j)asselewie, en dat er van die laatste vorm dan weer verdere verbasteringen ontstaan, is een bekend taalkundig verschijnsel. Over dit laatste schreef een lezer: ,,Thuis hadden wij het over sassedewiebenen, maar inmiddels hebben mijn dochters het over sasserdewiepbenen! Binnen een paar generaties verandert dit kennelijk; waarschijnlijk omdat het een woord uit de spreektaal is.''

Sasselewiebenen wordt nog wel gebruikt, maar het behoort tot de met uitsterven bedreigde Nederlandse woorden. Waarschijnlijk komt dit ook omdat er tegenwoordig veel minder ouderen met `kromme poten' zijn dan vroeger.

Sjees. Je kunt het niet over de verbastering van het Franse chaise hebben zonder het woord sjees te noemen. Chaise betekent in het Frans niet alleen `stoel', maar ook `licht en hoog tweewielig rijtuig'. Wij leerden dit rijtuig in het midden van de zeventiende eeuw kennen. De naam werd onmiddellijk verbasterd; in teksten uit die tijd is hij onder meer aangetroffen als chaisens, chaisjen, cheesje, cheses, sjaas enzovoorts. Uiteindelijk werd sjees de meest gangbare vorm.

Het aardige van sjees is dat het ons heeft geholpen aan het werkwoord sjezen. Het van oorsprong Franse rijtuigje was erg geliefd onder studenten. Studenten die er op de universiteit niks van bakten, die sjeesden – die verlieten de academie op een sjees. Dit gebruik, dat onder meer door Klikspaan is beschreven (,,hunne beste jaren verspild en vermorst, hunne kostbaarste sappen vermorst en bedorven, de schuldenlast verzwaard en jaar op jaar hooger opgestapeld, tot papa de sjees laat inspannen...''), leidde ertoe dat wij sjezen zijn gaan gebruiken voor `weglopen, ervandoor gaan', `zakken, niet slagen voor een examen' en vervolgens ook voor `hard lopen' en `hard rijden'. Vergelijkbare gevallen zijn opkrossen en opkarren voor `ophoepelen', waarbij kros een verbastering zou zijn van karos (`koets'), maar die woorden hebben inmiddels het loodje gelegd.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Zie ook Woordhoek op donderdag op www.nrc.nl