Politieke correctheid in lezing

`Hofpredikant' Carel ter Linden heeft de gave van het woord. Zijn preken zijn vaak verrassend. Maar tijdens de huwelijksdienst van prins Friso en Mabel Wisse Smit zat de verrassing in de bijbellezing.

In de preek bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima koos ds. Carel ter Linden als tekst een gedeelte uit het bijbelboek Ruth, een idyllisch verhaal over een Moabitische vrouw die ervoor kiest om in het land Israël te gaan wonen. ,,Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God'', aldus de woorden van Ruth. Met een associatieve exegese trok Ter Linden toen een impliciete parallel tussen Ruth en Máxima, die beiden hun geboorteland vaarwel zegden. De keuze van Exodus 3 als eerste bijbelgedeelte in de kerkdienst waarin afgelopen zaterdag in Delft het huwelijk werd bevestigd tussen prins Friso en Mabel Wisse Smit, leek een soortgelijke verrassing te zullen brengen.

Die indruk werd nog versterkt door de twee politiek-correcte veranderingen die ds. George Regas, emeritus predikant van de Episcopal Church te Pasadena en vriend van prins Friso, tijdens de lezing in het bijbelgedeelte aanbracht. In Exodus 3:6 maakt God zich bekend als ,,de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob''. Ds. Regas voegde daar ,,de God van Ismaël'' tussen, wat uit te leggen is als gebaar naar de moslims, die zichzelf als nakomelingen van Abrahams zoon Ismaël beschouwen. Onjuist is die toevoeging niet gezien de bijbelse belofte (Genesis 21:18) dat ook uit Ismaël een groot volk zou groeien, maar het staat er niet en dat maakte de toevoeging van Regas wel pikant.

Een tweede aanpassing van de tekst betrof de weglating van de lijst volken in het land Kanaän die plaats moesten maken voor het volk Israël. Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten (Exodus 3:8) waren uit de voorgelezen tekst verbannen. Het was daardoor alsof `het beloofde land' voor de komst van de joden een leeg land was.

Ondanks deze veranderingen in de tekst leverde Ter Lindens uitleg dit keer geen grote verrassingen op. De hoofdpersoon uit het bijbelboek Exodus, Mozes, wordt van godswege opgeroepen zijn volk uit Egypte, waar het onderdrukt werd, naar het beloofde land Kanaän te brengen. Mozes heeft daar volstrekt geen trek in en verzint uitvluchten. Een van die uitvluchten is de vraag op wiens gezag hij zich aan het hoofd van zijn volk zou moeten stellen.

Het is die vraag die leidt tot een van de sleutelpassages uit het Oude Testament, waarin God voor het eerst zijn naam bekendmaakt, de naam die joden nog altijd niet uitspreken: Jahweh, wat betekent `Ik zal er zijn'. Een ogenschijnlijk vreemde godsnaam, waarvan Ter Linden de betekenis in een paar kernachtige zinnen weergaf: ,,Dat is voor de gehele menselijke geschiedenis van een ongehoorde betekenis geweest, dat het volk Israël als eerste onder de volken dat geheim dat wij met het woordje `God' aanduiden, de naam `Ik zal er zijn' heeft gegeven. Daarmee zeiden zij: we kunnen deze wereld en dit leven vertrouwen. Er is een dragende kracht Israël zag deze dragende kracht geheel in de geest van die tijd als een persoon, een voorstelling die wij mensen moeilijk kunnen missen en die wij, denk ik als beeld moeten vasthouden er is een dragende kracht op wie wij niet vergeefs een beroep doen, en die zich telkens opnieuw in de mensengeschiedenis manifesteert.''

Ondanks een inleidende opmerking van ds. Regas dat Mabel en Friso werk maken van het opkomen voor onderdrukten, trok Ter Linden dit keer geen associatieve parallellen. Geen vergelijking bijvoorbeeld tussen Mozes, die het volk Israël uit Egypte voerde, en het werk van Mabel voor de volken in Oost-Europa die de afgelopen jaren bevrijd werden van dictatuur.

De tweede lezing, uit de brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Corinthe, is bij vele huwelijken een favoriete passage uit het Nieuwe Testament. Als `hooglied van de liefde' is het onovertroffen, wat ook in de bijzondere vertaling – wellicht is het beter te spreken van een hertaling – van dichter Huub Oosterhuis goed tot uitdrukking kwam. In zijn preek maakte Ter Linden duidelijk dat menselijke liefde slechts zelden dat ideaal bereikt. Ter Linden: ,,U begrijpt wel, Paulus beschrijft hier niet wat hij dagelijks ziet, hij beschrijft wat hij níet dagelijks ziet. Hij beschrijft de liefde waarvan God het geheim heeft. Hij beschrijft eigenlijk God zelf.'' En zo keerde hij terug naar de godsnaam die God in Exodus aan Mozes bekendmaakte: Vertrouw maar op mij, `Ik zal er zijn': Gods liefde als inspiratie en voorbeeld voor de liefde tussen man en vrouw.