Wat niet verrast is niet nieuw

Serendipiteit is het fenomeen van de toevallige wetenschappelijke ontdekking: je vindt iets waarnaar je helemaal niet op zoek was. Over dit begrip schreven de sociologen Robert K. Merton en Elinor Barber een onderhoudend en feestelijk boek.

EEN BEGRIFFSGESCHICHTE is het, dit langverwachte, unieke, instructieve, onderhoudende, geestige en feestelijke boek over het ontstaan, gebruik, diffusie en de herdefiniëring van het begrip serendipity `in de markt van woorden'. Merton en Barber hadden in 1958 hun typescript voor dit boek afgerond, maar daarna werd het vierenveertig jaar lang niet uitgegeven. Ik heb van Merton indertijd een kopie gekregen, nadat ik hem er vier keer per brief om had gesmeekt. Ik was daar toen zo enthousiast over dat ik Umberto Eco op het bestaan ervan heb gewezen en heb gevraagd of hij zijn poids wilde aanwenden om het alsnog te laten uitgeven. Eco heeft mij nooit geantwoord. Toen ik daarna in Bologna was, heb ik Eco ook opgezocht, maar hij was weg. Ik heb toen hetzelfde verzoek eigenhandig op zijn bureau gelegd.

Merton schrijft bij deze eerste Engelse uitgave dat hij en Barber in de negentiger jaren akkoord gingen met een Italiaanse vertaling bij zijn uitgever Il Mulino (De [Papier]Molen) in Bologna, die hen daarvoor benaderde in de personen van Giovanna Movia en Laura Xella, die `lucht hadden gekregen van het verlaten manuscript'. Die editie verscheen in 2002. Ten slotte was het Peter Dougherty, groepsuitgever voor de sociale wetenschappen bij de Princeton University Press, die Merton er toe preste in te stemmen met deze uitgave. Merton ging vlak na zijn éénennegentigste verjaardag overstag. Barber, een historica van de 18de eeuw in Frankrijk, was in 1999 overleden; Merton werd geboren in 1910 in Philadelphia als Meyer R. Schkolnick, veranderde op zijn veertiende zijn naam in Robert Merlin, stierf als Robert King Merton, schreef nooit over zijn Oost-Europees-joodse achtergrond, was een centrale figuur in de sociologie van de twintigste eeuw, en kreeg veel eredoctoraten, ook in Leiden, in 1965.

onbedoeldMerton biecht ruiterlijk in zijn voorwoord: `op mijn waarschijnlijk verkeerde verzoek, was mijn immer milde medewerkster Elinor Barber het er in 1958 mee eens ons manuscript `een tijdje' weg te leggen'. Omdat deze Engelse tekst pas zesenveertig jaar later uitkwam, is het onbedoeld een soort tijdscapsule-tekst over het verleden en heden van het woord serendipity uit de vijftiger jaren geworden, zegt Merton. Hij heeft alleen de hoofdstukindeling veranderd en de ondertitel. Door die nadruk op sociologie in die ondertitel vrees ik dat menige alfa, bèta en gamma dit boek niet zal lezen. Dat is zonde, want het is, denk ik, de rijkste monografie over serendipiteit: een vakterm voor alle drie inmiddels.

De lezer wandelt aan de hand van het woord serendipity door tweehonderdvijftig jaar cultuurgeschiedenis met Merton en Barber als erudiete (`ontruwde') gidsen. En die reizen zijn avonturen zoals verklapt in de titel, die verwijst naar The Travels and Adventures of Three Princes of Sarendip, dat in 1722 in Londen werd gedrukt. Dat sprookje verschijnt eerst in het Perzisch (1302) in de bundel Hasht Bihist (Acht Paradijzen) van Amir Khusrau, en dan via een Italiaanse (1557) en Franse (1719) versie in het Engels. Het wordt gelezen door Horace Walpole (1717-1797), de jongste zoon van de eerste en grote premier van Engeland: Sir Robert Walpole. En in 1754 schrijft Horace Walpole in een brief aan Horace Mann, de Britse gezant in Florence, die hij daar had ontmoet tijdens zijn grand tour: `Deze [heraldische] ontdekking is inderdaad bijna van het soort dat ik serendipity noem [..] Ik las eens een onschuldig sprookje, geheten De drie Prinsen van Serendip: als deze hoogheden reisden, deden ze steeds ontdekkingen, door toevalligheden en scherpzinnigheid, van dingen waar ze niet naar op zoek waren: bijvoorbeeld, één van hen ontdekte dat een ezel blind aan één oog iets eerder dezelfde weg had afgelegd, omdat het gras alleen aan de linkerkant was afgegraasd, waar het nu slechter was dan aan de andere kant – begrijp je serendipity nu? [..] je moet er op letten dat geen ontdekking van een ding, waar je naar op zoek bent onder deze beschrijving valt [..].'

Tot zover de brief van Walpole, die het woord serendipity maar één keer opschreef. In een latere brief, uit 1789, aan Hannah More, rept hij wel over het belang van serendipiteit (deze Nederlandse transcriptie liet ik in Van Dale opnemen): `Noch steekt er enig kwaad in om te beginnen met een nieuw spel om uit te vinden; vele uitstekende ontdekkingen zijn gedaan door mensen die à la chasse waren naar heel iets anders. Ik ben er niet geheel zeker van of de kunst van het maken van goud of het eeuwige leven al uitgevonden zijn – maar hoeveel nobele ontdekkingen heeft het najagen van deze wondermiddelen het licht doen zien! Arme Chemie, als ze niet zulke glorieuze bedoelingen voor ogen had gehad!'

Verwijst Walpole hier naar Hennig Brand? Deze `laatste der alchemisten' zocht in Hamburg, in 1669, naar een stof in urine om zilver in goud om te toveren: de steen der wijzen. Hij vond een soort witte was, die zelfs licht gaf in het donker. Het leidde tot de ontdekking van fosfor (`lichtdrager'): het eerste element ooit dat werd ontdekt.

Pas in 1833 werd het woord serendipity gedrukt. Toen werd de hierboven geciteerde brief uitgegeven met overige brieven van Walpole aan Mann en anderen.

Het duurde tot 1875 voordat serendipity in druk werd gebruikt door een ander. De antiquaar, bibliofiel en voormalig chemicus Edward Solly bezigt het dan in het tijdschrift Notes and Queries en lanceert het zo in literaire kringen. Serendipity werd daarna vooral gebruikt door bibliomanen. Totdat Walter Cannon, hoogleraar in de fysiologie aan de Harvard Medical School, het woord opving uit de mond van een predikant, Samuel McChord Crothers uit Boston, en het cultiveerde in het hoofdstuk Gains from Serendipity van zijn boek The Way of the Investigator (1945) [vestigum = (voet)spoor; investigare = opsporen]. Aldus introduceerde hij het in de bètavakken. Merton importeerde het op zijn beurt in de gammavakken. In zijn nawoord rept hij over zijn eerste ontmoeting met het woord serendipity.

rover-baronHij groeit op boven de kruidenierszaak van zijn ouders in het toen steedse dorp Philadelphia (tussen New York en Washington), bij een openbare bibliotheek, die hem als het ware geschonken was door de liefdadige rover-baron Andrew Carnegie. Daar komt hij vanaf zijn zesde – zijn moeder (filosoof door zelfstudie) stimuleert hem – en wordt hij geadopteerd door bibliothecaresses, die hem leren woordenboeken te gebruiken, zoals de Webster. Zo wordt hij een woordenboeken-freak. Vanaf 1934 raakt hij gebiologeerd door onbedoelde gevolgen van doelgericht handelen. Zijn proefschift uit 1938 gaat over de onbedoelde rol van het puritanisme bij de bevordering van de opkomende nieuwe natuurwetenschap in het 17de eeuwse Engeland. In 1936 publiceert hij zijn klassieke artikel The Unanticipated Consequences of Purposive Social Action in de American Journal of Sociology. Het fenomeen serendipity is natuurlijk aan dat thema gelieerd. Merton, die ook van neologismes houdt, zoekt eens een woord op in zijn dertiendelige Oxford English Dictionnary (OED), die hij van zijn beurs als student in Harvard had gekocht, en dan valt zijn oog op dat gekke woord serendipity en de exotische etymologie ervan, en gaat hij het gebruiken. In 1945 doet hij dat voor het eerst in druk als hij stelt dat `vruchtbaar empirisch onderzoek niet alleen theoretisch afgeleide hypoptheses toetst, maar ook nieuwe hypotheses oplevert' en dat `dit de `serendipiteitscomponent van onderzoek genoemd zou kunnen worden, namelijk de ontdekking door toeval of schranderheid van geldige resultaten die niet werden gezocht' In 1948 definieert hij in de American Sociological Review serendipiteit al glashelder:

``Het serendipiteitspatroon betreft de tamelijk algemene ervaring van het waarnemen van een ongeanticipeerd, abnormaal en strategisch gegeven dat de aanleiding wordt voor de ontwikkeling van een nieuwe theorie of voor de uitbreiding een bestaande theorie. Elk van deze elementen van het patroon kan gemakkelijk beschreven worden. Het gegeven is allereerst ongeanticipeerd. Een onderzoek gericht op de test van een hypothese levert een toevallig bijprodukt op, een onverwachte waarneming, die betrekking heeft op theorieën die bij het begin van het onderzoek niet aan de orde waren.

``Ten tweede, de waarneming is abnormaal, verrassend, omdat zij onverenigbaar lijkt met de gangbare theorie ofwel met andere vastgestelde feiten. In beide gevallen wekt de ogenschijnlijke onverenigbaarheid nieuwsgierigheid op; het prikkelt de onderzoeker om `het gegeven te doorgronden', om het in een breder kader van kennis te plaatsen. [..]

``Ten derde, opmerkend dat het onverwachte feit strategisch moet zijn, dat wil zeggen, dat het implicaties moet toestaan die betrekking hebben op een gegeneraliseerde theorie, hebben we het, natuurlijk, eerder over wat de waarnemer met het gegeven doet dan over het gegeven zelf. Want het vereist duidelijk een theoretisch ontvankelijk waarnemer om het algemene in het bijzondere op te sporen.''

Volgens Merton is serendipiteit een waarneming van een verrassend feit die wordt gevolgd door een correcte abductie (duiding). Het begrip abductie werd door de Amerikaanse filosoof Charles Peirce in 1866 herontdekt, als een verkeerde vertaling van wat Aristoteles (apagoogè: retroductie) noemde. (Aristoteles noemt het idee dat de maan het licht van de zon weerkaatst, als verklaring van haar schijngestalten, als een voorbeeld van zo'n .) Peirce zag abductie als de enige redeneervorm om iets nieuws te ontdekken. Alle ideeën van de wetenschap ontstaan door abductie, schreef hij. Abductie bestond voor hem uit het bestuderen van feiten en het verzinnen van een theorie om die te verklaren:

``Abductie is het proces van het opstellen van een verklarende hypothese. Het is de enige logische operatie die enig nieuw idee introduceert; want inductie bepaalt slechts een waarde, en deductie leidt slechts de onontkoombare consequenties af van een zuivere hypothese. Deductie bewijst dat iets moet zijn. Inductie toont dat iets feitelijk werkt. Abductie suggereert slechts dat iets zou kunnen. Haar enige rechtvaardiging is dat deductie van haar suggestie een voorspelling kan afleiden, die door inductie kan worden getest, en dat, als we ooit iets willen leren of verschijnselen überhaupt willen verklaren, dit via abductie moet gebeuren.'' (Collected Papers, 1965)

Peirce is nu terecht bekend om zijn werk over pragmatisme als speurmethode ( paragmatikos = man van de daad).

Een experimentator die een hypothese test en dan een anomalie waarneemt (een abnormaliteit die niet strookt met zijn kennis, inzichten, opvattingen), denkt gewoonlijk eerst dat er iets is misgegaan. Als hij die mogelijkheid heeft uitgesloten, is zijn tweede zinnige reactie dikwijls om ad hoc een andere duiding te verzinnen om de anomalie alsnog te verklaren. Als die uitleg toetsbaar is, en daartoe uitnodigt, kan hij die testen als nieuwe werkhypothese.

twee benenWetenschappelijk onderzoek loopt, wankelt, strompelt, struikelt, danst, springt aldus op twee benen: één voor het testen van een hypothese en het andere voor het duiden van een anomalie, die daarbij soms opduikt. Zo sluiten de hypothetico-deductieve en de anomalie-abductieve methode (serendipiteit) elkaar niet uit, nee: ze wisselen elkaar af, complementeren en versterken elkaar zelfs.

Natuurlijk duiken niet alle anomaliën op bij het testen van hypotheses en ontstaan niet alle hypotheses als duidingen van anomaliën. Ook levert een toets van een hypothese niet altijd een verse anomalie op, en geeft een verse anomalie niet altijd een nieuwe hypothese.

De Amerikaanse fysicus Curl was mede-ontdekker van de bucky ball, een hol molecuul van zestig koolstofatomen in de vorm van de naden en `hoekpunten' van een voetbal. Dit holle-bal-molecuul is een voorbeeld van een verrassende anomalie die – onbedoeld – tijdens een experiment was ontstaan en werd waargenomen, en daarna correct geduid. Toen Curl daarvoor zijn gedeelde Nobelprijs kreeg, gaf hij in zijn toespraak in Stockholm de anomalie als verschijnsel zijn juiste plaats en context: `In de wetenschap stuurt een hypothese zowel het experiment als de theorie, want alleen door het verzinnen van hypotheses kunnen we richting geven aan onze experimenten en theorieën. [..]. Omgekeerd, sturen experiment en theorie ook de hypothese. Iemand doet een opzienbarende waarneming of heeft een plotseling inzicht en begint te speculeren over de betekenis en implicaties ervan en mogelijke hypotheses te bedenken. Echter, niet alle hypotheses zijn even geldig of nuttig.'

Hoewel al lang en algemeen bekend is dat origineel wetenschappelijk onderzoek op twee benen schrijdt – lees bijvoorbeeld N.R. Hanson, Patterns of Discovery, CUP, 1961 – worden we nog steeds geschoold alsof onderzoek op één been hinkt, namelijk met het idee dat kennis groeit van hypothese naar these. Ook het toetsen van kennis gebeurt meestal door het aankruisen van één vooraf geformuleerd juist antwoord bij één vooraf juist verwoorde vraag, gevolgd door een paar voorgekookte antwoorden waarvan er altijd maar één goed is. Het is geen multiple choice maar single choice. Dat kan ongewild het idee geven dat ook bij origineel onderzoek kennis groeit door van één juiste vraag naar één juist antwoord te gaan. Maar bij oorspronkelijk speurwerk zijn de goede vraag noch het goede antwoord vooraf gegeven, noch het bestaan ervan. Sterker nog, een `beetje' vondst is altijd serendipiteus, anders is zij niet echt nieuw. Wat werkelijk nieuw of onbekend is kan namelijk niet logisch uit het oude of bekende afgeleid worden. Als dat wel zou kunnen zou het resultaat immers niet echt nieuw of onbekend zijn. De sofisten wisten al dat je niet naar het onbekende kunt zoeken want dan weet je niet wat je zoeken moet. Het volstrekt nieuwe of onbekende kan alleen bij verrassing gevonden worden: daar is een onvoorspelbaar element voor nodig, zoals een anomalie (`Verrek!') of inzicht (`Eureka!'). Wat niet echt verrast kan niet echt nieuw of onbekend zijn. Een uitvinding is ook alleen te octrooieren als zij een verrassend element bevat: de vondst màg niet voor de hand liggen. Bij een serendipiteuze vondst werd de weg van vraag naar antwoord in omgekeerde richting afgelegd. Bij de huidige gangbare manier van scholen, tentamineren en examineren leert men nauwelijks om goede vragen en juiste antwoorden te formuleren. En hoogstzelden leert men onvermoede waarnemingen te doen en die te duiden. Ooit van een practicum gehoord waarin – onaangekondigd – expres een onverwacht verschijnsel optreedt om te zien of de practicant dat waarneemt, er iets mee doet, en zo ja, wat?

In 1901 gaf L. Leprince-Ringuet een rake typering van het verschil tussen een echte onderzoeker en een student: `Wie vindt wat hij zoekt levert gewoonlijk een goede prestatie van een student: denkend aan wat hij wenst, verwaarloost hij vaak de tekens, soms minieme, die iets brengen dat verschilt van zijn voorziene object. De echte onderzoeker moet aandacht geven aan tekens die het bestaan van een verschijnsel zullen onthullen dat hij niet verwacht.'

Merton wijst er in zijn nawoord op dat woordenboeken serendipiteit nu ook beschrijven als een gave om een ongezochte vondst te doen, naast de oude betekenis als gebeurtenis, verschijnsel, geval, voorbeeld.

gemiste kansDe vraag waarom deze begripsgeschiedenis van serendipiteit bijna een halve eeuw niet werd uitgegeven (negatieve serendipiteit: een gemiste kans) wordt in zijn boek niet bevredigend beantwoord, vind ik. Iemand die origineel wetenschappelijk onderzoek doet, komt meestal, als hij niet versaagt, uiteindelijk, op een koninklijke en/of een prinselijke weg. Op de koninklijke weg vind je wat je zocht (niet-serendipiteit). Op de prinselijke weg vind je op een onbedoelde manier wat je zocht (pseudo-serendipiteit) of niet zocht (serendipiteit). Die prinselijke weg wordt gezien als tweederangs. Hoe komt dat? Deels omdat een geslaagde proef zo wordt opgeschreven dat zij herhaald kan worden. De inside story, the story behind the story, the how it really happened story ontbreekt dan bijna altijd. Zo'n `retrospective falsificatie of profetie' verdonkeremaant eventuele wetenschappelijke serendipiteiten, omdat de zuivere rationaliteit tot norm wordt verheven. Merton benadrukt dat overtuigend.

Gelukkig is er naast de context of discovery en de context of justification, ook de `context van roem', zoals ik dat noem. Wie beroemd is spreekt wat makkelijker over zijn serendipiteit. Alexander Fleming bijvoorbeeld: `De onderzoeker moet vrij zijn om een nieuwe ontdekking te volgen, waar deze hem ook mag brengen. Elke onderzoeker moet een zekere tijd voor zichzelf hebben, om in staat te zijn om zijn eigen ideeën uit te werken zonder ze aan iemand te verantwoorden (tenzij hij het wil). Gedenkwaardige dingen kunnen in iemands vrije tijd plaatsvinden. [..] dorst naar onmiddellijke resultaten is geenszins ongewoon, maar het is zeer schadelijk. Echt waardevol onderzoek is een zaak van lange termijn. Het kan best zijn dat er in jaren niets uit een lab komt met praktisch nut. Dan, heel plotseling, duikt er iets op – zeer verschillend, misschien, van waar naar gezocht werd – dat de kosten van het lab voor honderd jaar dekt.'

beleidsruimteDe chemicus dr. J. Rutting schreef mij ooit: `Het zijn de bloempjes langs de weg, die een fraaiere ruiker vormen dan die men zoekt, en die men dus niet langs de weg moet laten staan.' Een mooi pleidooi voor `vrije beleidsruimte'.

Ik vrees dat Merton & Barber het bewust, voor- of onbewust gewoon niet aangedurfd hebben om in 1958 hun studie te publiceren over de geschiedenis van de prinselijke weg, als methode ( = weg waarlangs), die het moet hebben van bermbloemen als ongezochte vondst.

Dat Princeton – nomen est omen – er nu mee komt, dat verdienen natuurlijk zowel Merton, Barber, boek, thema en de prinselijke weg. Ik ben blij dat ik Merton indertijd vier keer benaderde, en Eco twee keer, nadat ik als dwerg op de schouders van Merton en Barber had meegelift. Wie weet heeft het de publicatie in het Italiaans en het Amerikaans versneld. Ik raad dit prachtig geschreven, geestige standaardwerk aan bij studenten, promovendi, promotoren, researchleiders, docenten, wetenschapsfilosofen en nieuwsgierige aagjes, of het nu alfa's, bèta's, gamma's of wat dan ook zijn: ter lering èn vermaak. Serendipity heeft immers meer snob-appeal dan `meebaggeren' en `bijvangst'. Het boek besluit met Crothers, de dominee (die Cannon inspireerde): `he was looking for some Dutch courage (jenevermoed) and finding it in serendipity.' Alleen ontbreekt de mooiste definitie van serendipiteit in het boek: `het zoeken naar een naald in een hooiberg en er uit rollen met een boerenmeid'. Dat is het einde!

Robert K. Merton (†) & Elinor Barber (†), The Travels and Adventures of Serendipity: a Study in Sociological Semantics and the Sociology of Science, Princeton University Press, 2004, 313 blz., €35.

Pek van Andel is serendipitoloog te Feerwerd.