Wanhopig vuur

EEN VAN DE dingen waarover de lichtgewichtkampeerder lang kan nadenken is de vraag welke brandstof voor zijn voorgenomen lichtgewichtkampeertocht de juiste brandstof is. Dat is: de lichtste brandstof. Moet hij op reis met gas, benzine, petroleum of spiritus, dat wil hij weten.

De meeste kampeerders kiezen een benzinesoort die ze voor veel geld in de overlevingswinkel kopen. Ze weten niet beter. Spiritus wordt maar zelden gekocht, het is niet in de mode, het appelleert niet aan het verlangen naar adventure en survival. Toch staat vast dat voor veel korte tochten spiritus wel degelijk de beste brandstof is. Het is weliswaar een `zware' brandstof die maar weinig joules per gram afgeeft, maar daar staat tegenover dat het goedje in een vederlichte brander is te verbranden. Ook kan het gewoon in een plastic fles worden meegenomen. Het één weegt tegen het ander op en er is op deze plaats wel eens uitgerekend dat het `break even point' rond de zeven dagen ligt.

't Hangt natuurlijk af van de kookgewoontes en de vraag of in het vergelijkend rekenen maximale of gemiddelde gewichten met elkaar worden vergeleken. Reken het uit en zet het verloop van het gewicht tijdens de tocht in een grafiek.

Spiritus heeft, afgezien van die wat lage energie-inhoud (enthalpy of combustion), bijna alleen maar voordelen. Ook is het een aardige gedachte dat Robert Louis Stevenson een spiritusbrander bij zich had toen hij in 1878 met zijn ezel door de Cévennen trok. De Zweedse Primusköket (een petroleumvergasser, een `paraffin stove') is pas omstreeks 1885 op de markt gekomen (www.spiritburner.com).

De spiritusbrander heeft een klein nadeel. Hij moet worden aangestoken met lucifers. De alcohol brandt in een tamelijk diep potje en is daar praktisch onbereikbaar voor de aansteker. Je zou dat potje tot de rand kunnen vullen, maar dan duurt het een eeuwigheid voor de spiritus zo warm is dat-ie flink branden wil. De spiritusbrander moet altijd in halflege toestand worden gebruikt, niet iedereen weet dat. Hij wordt aangestoken door er een brandende lucifer in te werpen. En lucifers branden alleen als ze niet nat zijn of nat zijn geweest en daarom moet een deel van de lucifers gegarandeerd waterdicht worden verpakt. En dat drukt weer op het `break even point'.

Dat zijn de dingen waaraan de lichtgewichtkampeerder denkt vlak voor hij vertrekt naar de Belgische bergen. Hoe houd ik de lucifers droog zonder dat de bagage te zwaar wordt en wat doe ik als het niet lukte, als er op het moment suprême geen werkzame lucifer meer over is. Van deze schrijftafelzorgen is de intrigerendste: waarom willen lucifers die nat geweest zijn na zorgvuldige droging niet meer branden. Wat gebeurt er voor vreemds in die koppen en strijkvlakken waardoor het vermogen om een vlammetje te laten ontspringen opeens verdwenen is.

Geloof het of niet, maar al meer dan tien jaar geleden was voor de beantwoording van die vraag het vakboek `Matchmaking: Science, Technology and Manufacturing' in huis gehaald. Het verscheen in 1983 bij Ellis Horwood, werd geschreven door C. Finch en S. Ramachandran en lag opeens bij De Slegte. Er is bijna niets dat er niet in staat. Wie het lezen wil, leest er hoe de lucifers, die direct `Lucifer' als merknaam kregen, omstreeks 1826 in Engeland werden ontwikkeld. De koppen bestonden uit kaliumchloraat, antimoonsulfide en wat ijzeroxide, samengehouden door Arabische gom. Strijkvlakken waren er niet want dit waren `strike anywhere' lucifers die langs schuurpapier werden aangestoken. Rond 1832 introduceert men, nagenoeg tegelijk in Frankrijk en Duitsland, lucifers met het giftige witte fosfor en tegelijk ook nogal wat elementaire zwavel. En weer tien jaar later verschijnen veiligheidslucifers die in twee opzichten veilig zijn: niet langer giftig en niet langer aan elke willekeurig ruw oppervlak aan te steken. Enzovoort. Maar geen woord over de vraag waarom een natte lucifer na droging niet meer werkt.

Eerlijksheidshalve moet worden toegegeven dat de invloed van vocht bij nader inzien wel mee valt. Een voor de hand liggend proefje had deze week als uitkomst dat onderdompeling van een minuut, of zelfs een paar minuten, redelijk wordt doorstaan. Na droging deden lucifers en strijkvlakken wat ze doen moesten. Maar blijven lucifers voldoende lang nat dan gebeuren er twee dingen: de kop laat los van het houtje, kennelijk omdat de Arabische gom, het stijfsel of het bindmiddel dat daarvoor in de plaats is gekomen oplost in water. En er treedt een zekere ontmenging op in het chemisch mengsel dat ontbranden moet.

Dat laatste is een eigen verzinsel. Ergens in dat genoemde vakboek, het was niet zomaar terug te vinden, wordt nogal het accent gelegd op de juiste kristalvorm van de lucifer-componenten. De kristallen moeten voldoende klein zijn. Ook in de bereiding van buskruit, dat au fond niet heel ver van de lucifer staat en overigens aan precies hetzelfde euvel lijdt, geldt dit als een punt van groot gewicht. Het is meer dan aannemelijk dat een deel van het pyrotechnisch mengsel in de luciferskop oplost in het water als de kop nat wordt. Als dat water later weer verdampt zullen de verschillende bestanddelen opnieuw uitkristalliseren, maar anders dan de bedoeling is. Wie een natte en later weer gedroogde lucifer aansteekt ziet dat-ie zeer onregelmatig ontbrandt, bij lange na niet zo `explosief' als goede lucifers. Ontmenging, dat is waarschijnlijk het probleem van de vochtige lucifer.

Het is maar een kleine ontdekking, maar als het waar is zou de eenzame kampeerder die ver van de bewoonde wereld wanhopig vuur probeert te maken, toch nog wat aan die waardeloze lucifers hebben. Wat hij moet doen is: gewoon opnieuw mengen. De gedroogde chemicaliën van de stokjes schrappen en tussen twee stenen fijnwrijven. Met een beetje geluk vliegen ze daarbij spontaan in brand, want dat is een beruchte eigenschap van chloraten. Het klinkt een beetje Jules Verne-achtig, maar het is aanmerkelijk minder omslachtig dan al die houtje-touwtje oplossingen van de survivalgidsen. Lucifers natmaken, droogmaken en fijnwrijven, dat is wat de AW-afdeling overleving de komende week gaat doen.