Van Estland tot Cyprus, arm en ambitieus

De tien toetreders tot de Europese Unie zijn onderling heel verschillend. Maar in één opzicht zijn ze gelijk: nooit eerder sloot een minder welvarende groep zich aan.

De tien landen die op 1 mei toetreden tot de Europese Unie zijn moeilijk onder één noemer te brengen. De onderlinge verschillen in economische structuur, geografische ligging en historie zijn daarvoor veel te groot. Zoals het huidige EU-lid Griekenland onmogelijk kan worden vergeleken met Zweden, zo wijkt Cyprus sterk af van Letland.

Toch is er één karakteristiek die alle tien toetreders gemeen hebben: ze zijn alle armer, veel armer dan de huidige lidstaten van de EU. Het gemiddelde bbp per hoofd van de bevolking in de tien toetreders bedraagt 5.670 euro. In de huidige vijftien leden van de EU is dat meer dan vier maal zo hoog. Doordat het prijsniveau in de tien toetreders ongeveer de helft lager is, is de koopkracht per hoofd van de bevolking wel iets hoger dan uit de kale Eurocijfers blijkt. Maar dan nog ligt het `welvaartspeil' bij de inwoners van de toetredende tien minstens de helft lager dan in de Europese Unie van de huidige vijftien.

De eilandeconomieën van Cyprus en Malta kenmerken zich door een noodzakelijkerwijs flinke externe handel: export en import bestrijken vrijwel het gehele bbp. Politiek mogen ze interessant zijn, economisch zijn ze dat nauwelijks. De economie van Malta is te vergelijken met die van een Nederlandse provinciestad als Haarlem. Die van Cyprus is maar iets meer dan tweemaal zo groot.

De overige acht toetreders slepen de gevolgen van bijna een halve eeuw Oostblok met zich mee. Alle kenden zij een vorm van socialistische, centraal geleide planeconomie, hoewel ook hier verschillen zijn. Hongarije opende al aan het begin van de jaren tachtig zijn markt gedeeltelijk voor privé-ondernemingen. De Joegoslavische federatie, waarvan Slovenië tot 1991 deel uitmaakte, ging al in de jaren vijftig zijn eigen gang en voerde het arbeiderszelfbestuur in. Polen en Tsjechoslowakije bleven tot het eind van het communisme in 1989 stevig ingebed in de vanuit Moskou gerunde Comecon, het Comité voor Wederzijdse Economische Bijstand, de Oost-Europese tegenhanger van wat toen nog de EEG was. De drie Baltische staatjes waren nog strakker aan Moskou gebonden: zij waren tot 1991 deelrepublieken van de Sovjet-Unie zelf.

Economisch maakten de acht socialistische landen na 1989 een keiharde landing: traditionele afzetmarkten in het voormalige Oostblok gingen verloren, arbeidsplaatsen verdwenen en productiviteit zakte in. Zozeer zelfs dat in verscheidene nieuwe lidstaten het bbp per hoofd van de bevolking nu pas weer terug begint te komen op het niveau van 1989. Privatisering van staatseigendommen, het aantrekken van buitenlandse investeringen en het op orde brengen van overheidsuitgaven zijn de prioriteiten geweest van de afgelopen vijftien jaar.

Tsjechoslowakije en Polen namen in het begin van de jaren negentig het voortouw met een drastische overgang naar een vrijemarkteconomie door middel van een `shocktherapie'. Staatseigendom moest zo snel mogelijk overgebracht worden in de handen van particulieren.

Václav Klaus bedacht als minister van Financiën voor Tsjechoslowakije de `couponprivatisering' waarbij iedere burger een nominaal aandeel in het staatseigendom kreeg. Klaus, inmiddels premier, verklaarde al in januari 1994 de overgang naar een vrijemarkteconomie voor `voltooid'. Maar dat bleek voorbarig. In 1997 beleefde Tsjechië een economische crisis die de politiek op zijn grondvesten deed schudden. De begroting en de handelsbalans vertoonden grote tekorten en de nationale munt, de Tsjechische kroon, raakte zijn stabiliteit kwijt. De couponprivatisering had niet het gewenste effect: investeringsfondsen roomden de markt af en bedienden zich rijkelijk van leningen door staatsbanken. De Tsjechische staat raakte opgezadeld met een stapel slechte leningen die verdere privatisering weer moeilijk maakte.

Polen maakte onder de econoom Leszek Balcerowicz aanvankelijk een flitsende start met een door de Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs ingefluisterde `shocktherapie'.

[vervolg EUROPA: pagina 24]

EUROPA

Met toetreding komt ook de tucht van de markt

[Vervolg van pagina 23]

Zodra het kon begonnen veel Polen voor zichzelf. Maar ze liepen al snel vast. Begin jaren negentig was er nog geen bankwezen dat voor een redelijke financiering kon zorgen. Ook ontbrak degelijke wetgeving die faillissementen regelde. Inmiddels is dat wel allemaal geregeld, maar de Poolse economie is in de afgelopen vijftien jaar veel energie kwijtgeraakt. Het land verschijnt op de Europese markt met een werkloosheid van tegen de 20 procent en begrotingstekort dat ver boven de Europese norm ligt.

Slowakije werd in 1993 een onafhankelijk land en zette onder politiek leider Vladimír Meciar een eigenzinnige economische koers in: privatisering geschiedde bijna uitsluitend in eigen politieke kring, buitenlands geld en buitenlandse bemoeienis werden buiten de deur gehouden. Pas toen Slowakije in 1998 de EU-boot dreigde te missen, werd Meciar door de kiezers naar huis gestuurd en begon Slowakije aan een duizelingwekkende politieke en economische inhaalrace. Op dit moment is het land bezig uit te groeien tot hét autoland in de regio.

Hongarije had een relatief gunstige uitgangspositie omdat het al in de jaren tachtig een beperkte vrije markt had ingevoerd. Meteen aan het begin van de jaren negentig meldden zich de eerste buitenlandse investeerders. Maar het land beleefde desalniettemin in 1995 dramatische momenten toen de linkse regering-Horn een zeer strikt monetair beleid ging voeren in een poging greep te krijgen op de overheidsuitgaven. De Hongaarse forint devalueerde drastisch en bergen spaargeld gingen in rook op.

De afgelopen winter kwam de Hongaarse munt opnieuw sterk onder druk te staan. Speculatief geld stroomde binnen uit het buitenland in de hoop mee te kunnen liften op een hoge rentestand (van 12 procent) en het perspectief dat de Hongaarse munt na de toetreding tot de Europese Unie aan kracht zou winnen. Hongarije zat plotseling met een dure forint én een hoge rentestand opgescheept waardoor de Hongaarse export in het nauw raakte.

De Baltische landen Estland, Letland en Litouwen kregen als voormalige sovjetrepublieken nog een extra klap mee toen Rusland in 1997 en 1998 een monetaire crisis doormaakte. Strikt fiscaal beleid en een aantrekkelijk investeringsklimaat hebben ervoor gezorgd dat de drie landen economisch `boomend' de Europese Unie binnenkomen. Maar de put waaruit ze geklommen zijn was zo diep dat ze ondanks een economische groei van rond 6 procent, nog steeds onderaan de lijst staan van inkomsten per hoofd van de bevolking.

De nieuwe lidstaten hebben, zo blijkt uit de prestaties in het directe verleden en de verwachtingen voor dit en volgend jaar, niet veel last van de laagconjunctuur die de bestaande Europese Unie trof. Voor 2004 verwacht de Europese Commissie een gemiddelde economische groei van iets meer dan 4 procent bij toetreders, ruim tweemaal zoveel als bij de Europese Unie van de 15.

De erfenis van het communisme is nog altijd terug te zien in de huidige karakteristieken van de productie: veel landbouw – verhoudingsgewijs twee tot driemaal zoveel als in de huidige Europese Unie gebruikelijk is – en een accent op de zware en metaalindustrie. Volgens ABN Amro is de productiviteit gemiddeld ongeveer de helft van die in de bestaande EU-landen.

Dat zal snel veranderen. Buitenlandse investeerders verleggen hun accenten. Zij kiezen de nieuwe lidstaten niet meer alleen omdat de lonen laag zijn, maar ook omdat ze moderne productie- en managementmethoden kunnen introduceren. En omdat ze gemakkelijk aan hooggeschoold personeel kunnen komen. Eén hobbel zullen de toetreders nog moeten nemen: de overheidsfinanciën zijn niet op orde, en volgens het IMF hebben ze vrijwel allemaal een te hoog tekort op de betalingsbalans. Lidmaatschap van de Europese Unie – en al eerder de NAVO – kost extra geld in een tijd dat daar juist een tekort aan is. Toetreding tot Europa heeft veel voordelen, maar stelt landen ook extra bloot aan de tucht van de moderne markt. De inspanningen in de tien landen eindigen daarom niet op 1 mei. In zekere zin begint het werk dan pas goed.