Van Aspergekorst tot Zwavelvreter

Wie er op let, ziet overal korstmossen. Er is haast geen plaats waar ze niet groeien. Blauwgroene vlekken op boomstammen, rechtopstaande ministruikjes tussen de heideplanten of felgekleurde geeloranje aangroei op betonnen bruggetjes. Het zijn allemaal korstmossen. Zelfs midden in de stad ontbreken de lychenen niet; de witte vlekken op het dak van een McDonalds-restaurant zijn geen kauwgomplakkaten maar korstmossen.

Korstmossen zijn symbioses van een schimmel met een alg en/of een blauwwier. De schimmel beschermt tegen uitdroging en vraat, de inwonende alg of blauwwier betaalt `huur' door suikers te produceren via fotosynthese. Korstmossen groeien erg langzaam.

De vereniging voor veldbiologie KNNV heeft een geheel vernieuwde Veldgids Korstmossen uitgebracht, geschreven door Kok van Herk en André Aptroot, het duo dat al jarenlang het wetenschappelijk onderzoek naar korstmossen in Nederland aanvoert. Net als de vorige veldgids uit 1994 siert een foto van de in het oog springende Rode heidelucifer de omslag. Maar daar houdt de overeenkomst wel op. De nieuwe veldgids is geheel herschreven en geprofessionaliseerd. Hij is drie keer zo dik en bevat nu alle soorten korstmossen in Nederland; meer dan 400 daarvan zijn uitgebreid beschreven. Was de oude gids al veel geroemd, de nieuwe overtreft hem ruimschoots.

De inleidende hoofdstukken zijn zeer leesbaar en bevatten een schat aan informatie over onder meer de ecologie, de invloed van luchtverontreiniging en klimaatsverandering en de internationale betekenis van de Nederlandse korstmosflora. Hoewel ons land vergeleken met Scandinavië of de Alpenlanden een dwerg is op het gebied van korstmossen, zijn er een tiental soorten waarvan de meeste en grootste populaties hier voorkomen. Onder meer de Miskende schotelkorst, de Grijze spijkerdrager en het Metaaloogje hebben (voorzover bekend) een wereldareaal dat voor meer dan driekwart binnen onze landsgrenzen ligt.

In het gebruik als veldgids valt op dat de determinatiesleutel is verdwenen. Een ruwe versie daarvan stond nog wel in de vorige uitgave, maar nu verwijzen de auteurs daarvoor naar eerder verschenen Duitse en Britse veldgidsen. Als verdediging voeren zij aan dat het gebruik van zo'n sleutel een moeizaam proces is, vooral als nog volkomen onduidelijk is welke soort het ongeveer betreft. De auteurs raden de gebruikers van de gids aan om aan de hand van de foto's de gevonden korstmos te identificeren. Het risico bestaat dan natuurlijk dat je bij de verkeerde soort uit komt, maar dat is handig ondervangen door bij elke soort onder het subkopje `verwarring' te verwijzen naar gelijkende soorten. Met de daar gegeven determinatiekenmerken is het meestal wel mogelijk een korstmos op naam te brengen. In de praktijk blijkt dat verrassend goed te werken.

In vergelijking met de gids uit 1994 zijn de foto's (allemaal in kleur, van Kok van Herk) veel duidelijker, en consistenter van kleur, wat erg belangrijk is bij de identificatie van korstmossen. De verschillen in uiterlijke kenmerken van bijvoorbeeld de dikwijls sterk op elkaar lijkende soorten schotelkorsten komen op de foto al aardig tot hun recht.

Om echt zeker te zijn, moet er in sommige gevallen een microscoop aan te pas komen of moet een chemische kleurreactie worden uitgevoerd. Zo kan het Open heidestaartje makkelijk verward worden met het Gevorkt heidestaartje of het Girafje. Een druppel van de gevaarlijke stof para-fenyleendiamine geeft in zo'n geval uitsluitsel: alleen het Girafje en het Gevorkt heidestaartje geven een roodkleuring. Op dezelfde manier worden ook bleekwater, kaliloog, jodium en uv-licht als soortindicatoren gebruikt. Wel jammer dat de auteurs niet vermelden welke stoffen in de korstmos deze kleurreacties nou eigenlijk aantonen.

In de gids zijn alle soorten voorzien van handige icoontjes die het mogelijk maken om in één oogopslag te zien op welke ondergrond de betreffende soort groeit, of hij veel voorkomt en of de verspreiding ervan de laatste tijd is toe- of afgenomen. Het kost even tijd om jezelf de pictogrammen eigen te maken. Een verticaal balkje in de kleuren van de regenboog geeft bijvoorbeeld aan hoe zeldzaam of algemeen een soort is; rood staat voor uiterst zeldzaam en blauw voor algemeen. Verwarrend is dat rood (zeldzaam) bovenaan staat, terwijl soorten die sterk afnemen een pijltje schuin naar beneden krijgen. Dat pijltje wijst dus naar algemeen. Het kleurbalkje zou logischer zijn met blauw boven.

De Latijnse namen van de korstmossen ondergingen een revisie volgens de recentste internationale opvattingen, maar gelukkig zijn de verouderde namen in het register nog steeds terug te vinden, verwijzend naar de nieuwe naam. De schimmel in de korstmos is bepalend voor de latijnse naam. Ook de Nederlandse namen zijn op orde gebracht.

Korstmossen zijn het hele jaar door aanwezig en kunnen dus in ieder seizoen bestudeerd worden, èn ze zijn overal te vinden. Dus de Veldgids Korstmossen mag mee op iedere wandeling. Hoewel de amateur een flink eind komt bij het identificeren van de korstmossen, blijft in een aantal gevallen de twijfel knagen. Het determineren van korstmossen vergt enige ervaring, die je eigenlijk alleen kunt opdoen tijdens excursies samen met korstmossenkenners.

veldgids korstmossen, andré aptroot en kok van herk, 421 pag., knnv uitgeverij, prijs €33,95, isbn 90 5011 175 0