Uitbreiding Europese Unie moest op een koopje

De economieën van de oude en de nieuwe landen zijn al nauw met elkaar verbonden. Toch is de verwachting dat zowel de nieuwe als de oude landen baat hebben bij de uitbreiding van de Europese Unie.

Hoe snel zullen de tien nieuwe lidstaten van de Europese Unie op hetzelfde economische niveau komen als de huidige EU-15? Eén ding is zeker: de nieuwkomers zullen het voornamelijk op eigen kracht moeten doen. Want de uitbreiding moest op een koopje.

Even een paar cijfers. In de eerste drie jaar vloeit netto 10,3 miljard euro naar de tien nieuwe lidstaten. Het bedrag is het saldo van ontvangsten en afdrachten aan Brussel door de nieuwkomers. Het gaat voornamelijk om regionale steun en landbouwsubsidies. Bijna 7 miljard euro in de periode 2004-2006 is bestemd voor Polen. Dit land heeft de meeste inwoners, van wie bovendien een groot aantal boer is. De huidige EU-burger gaat het maar 9 euro en 15 cent per jaar kosten. De nieuwe lidstaten ontvangen voor elke inwoner 45,85 euro op jaarbasis. Dat is veel minder dan de subsidies die nu nog naar lidstaten als Spanje (192,50 euro per inwoner) of Ierland (418 euro) vloeien. En deze landen waren bij hun toetreding een stuk minder arm dan de huidige nieuwkomers.

Ter geruststelling van netto-betalers als Nederland: Brussel denkt dat een kwart van de subsidies naar hen terugkomt door vergroting van hun export.

Eurocommissaris Michaele Schreyer (Budget) concludeerde ruim een jaar geleden na toetredingsonderhandelingen op de top van Kopenhagen dan ook dat de uitbreiding ,,heel goedkoop'' is. Ze sprak van een ,,hele goede investering''.

De economische impact van de uitbreiding zal voor de meeste van de huidige lidstaten beperkt blijven. Dat komt simpelweg omdat de omvang van de economieën van de nieuwkomers slechts 5 procent is van die van de EU-15. Bovendien is de uitbreiding geen 'big bang'. De economieën van de oude en de nieuwe landen zijn al verknoopt. Ruim 95 procent van de handel in industriële en landbouwprodukten met de nieuwe lidstaten is al vrij. Zo'n 70 procent van hun handel is gericht op de EU-15. En tweederde van de netto kapitaalstroom komt uit de huidige lidstaten.

,,Als mensen beweren dat de uitbreiding zal leiden tot een verplaatsing van de produktie naar nieuwe lidstaten, is het goed te bedenken dat we de brug in termen van handel en investeringen al lang zijn overgestoken'', zei euromissaris Pascal Lamy (Handel) onlangs op de Hannover Messe. Niet zonder reden sprak hij zijn boodschap uit in Duitsland, dat in een malaise verkeert. De onrust in Duitsland werd deze maand opnieuw geïllustreerd door een waarschuwing van bondskanselier Gerhard Schröder dat de nieuwkomers de subsidies uit Brussel niet moeten misbruiken om met extra lage belastingtarieven oneerlijke concurrentie te gaan bedrijven.

Voor sommige lidstaten kunnen de consequenties van de uitbreiding op korte termijn fors zijn. Volgens deskundigen moeten Spanje, Portugal en Griekenland rekening houden met een negatieve impuls. Hun economische rol als lagelonenlanden en toeleveranciers wordt deels overgenomen door nieuwe lidstaten in Midden-Europa. Dat komt ook door de geografische ligging van de zuidelijke lidstaten, die na de uitbreiding een uithoek vormen.

Ruim een jaar geleden werd in Brussel een rapport gepresenteerd van de Universidad Complutense uit Madrid, waaruit bleek dat het bbp van Spanje in 2008 1,8 procent lager zal uitvallen dan anders het geval was. Ook het feit dat Spanje minder structuurfondsen zal krijgen – omdat de nieuwe landen relatief armer zijn – is een negatieve factor. Pas na enkele jaren zal de negatieve impuls zijn weggewerkt.

Het Nederlandse Centraal Planbureau heeft berekend dat de nieuwe lidstaten door de toetreding een impuls van 2,9 procent kunnen verwachten. De huidige lidstaten zouden er slechts 0,1 procent op vooruitgaan, wat logisch is gezien het relatief geringe economische gewicht van de nieuwkomers.

Een belangrijke drijfvoor voor de nieuwe lidstaten om hun economie op orde te brengen is het vooruitzicht van deelname aan de euro. ,,Met de euro raak je verlost van elke toekomstige valutacrisis'', zei ex-vice-gouverneur Werner Riecke van de Hongaarse centrale bank deze week tijdens een seminar in Brussel. Zijn land heeft net een crisis van de forint achter de rug.

Expert Susan Schadler van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) schetste op het seminar een aanlokkelijk perspectief, zeker voor landen met een werkloosheid van boven de 14 procent. Volgens haar kan deelname aan de euro in twintig jaar een extra economische groei van 3 tot 20 procent opleveren. De handel zou met 10 tot 80 procent stijgen. De marges maken wel duidelijk dat niet alleen het potentieel, maar ook de onzekerheid groot is.

Deelname aan de euro is volgens het toetredingsverdrag een verplichting. Maar de nieuwe lidstaten moeten wel eerst aan de Maastricht-criteria voldoen voor budgettekort, overheidsschuld, inflatie en lange rente. Bovendien moeten de nieuwe lidstaten eerst twee jaar meedoen aan het Europees wisselkoersmechanisme (ERM II), waarbij hun munt binnen een bandbreedte met de euro moet blijven. De Europese Commissie en de Europese Centrale Bank hebben de nieuwkomers gewaarschuwd de stap niet te snel te zetten. Een land dat zijn munt opgeeft, raakt ook zijn soevereiniteit over wisselkoers en rentebeleid kwijt. Juist de economieën van de nieuwe toetreders kunnen daarvan schade ondervinden. Ze zijn door hun relatief grote achterstand met een inhaalrace bezig. Zo'n groeispurt jaagt inflatie, rente en kredietstromen op. IMF-expert Schadler waarschuwt in haar rapport voor de risico's van oververhitting, valutaproblemen en bankcrises. Zo kan de verleiding groot zijn goedkoop in buitenlandse valuta te lenen, waarna net als in de Aziëcrisis schulden onbetaalbaar worden. Een pluspunt is volgens experts dat de banken in de nieuwe landen grotendeels in buitenlandse handen zijn, wat voor stabiliteit kan zorgen.

De Baltische staten en Cyprus hebben de meest ambitieuze plannen voor invoering van de euro. Hun overheidstekort ligt nu al onder de norm van 3 procent. Zij zouden de euro in 2007 kunnen invoeren. Sommige experts pleiten voor soepelheid bij het inflatiecriterium wegens de specifieke situatie van snelle groeiers. Polen heeft 2008 of 2009 genoemd, maar het overheidstekort is 6 procent. En volgens Brussel is het Poolse budgetplan ,,niet geloofwaardig''.

De Europese Commissie wijst erop dat in veel landen nog zware inspanningen nodig zijn wegens de kosten van vergrijzing, ook al komen nu pensioenstelsels van de grond. Ook zijn zware investeringen nodig in infrastructuur, omdat anders groeivertraging dreigt. Europese structuurgelden bieden maar gedeeltelijk soelaas. Bovendien blijft de vraag of regeringen en burgers in de nieuwe lidstaten bereid zijn in moeilijke omstandigheden de noodzakelijke inspanningen te doen.